Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
14-2126 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Definitieve vaststelling bijstand. Omzetting renteloze lening in bijstand om niet. Terugvordering voor zover bijstandsnorm wordt overschreden. Positief inkomen kan niet worden gesaldeerd met een negatief bedrijfsresultaat. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2126 BBZ

Datum uitspraak: 16 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 april 2014, 13/2688 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.C.W. Sterk en mr. E.M.C. Lochtman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 1 april 2010 algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004) in de vorm van een renteloze geldlening.

1.2.

Bij besluit van 22 februari 2013 heeft het college aan de hand van de jaarstukken over 2011 het recht op bijstand over dat jaar definitief vastgesteld. Daarbij heeft het college het netto inkomen van appellanten vastgesteld op een bedrag van € 19.923,19. Omdat dit inkomen meer bedroeg dan de zogeheten jaarnorm over het jaar 2011 van € 15.802,20, heeft het college de verleende bijstand tot een bedrag van € 4.120,99 van appellanten teruggevorderd en een bedrag van € 11.681,22 omgezet in bijstand om niet.

1.3.

Bij besluit van 21 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het negatieve bedrijfsresultaat moet worden gesaldeerd met de inkomsten uit arbeid van appellante, waardoor het inkomen van appellanten als negatief bedrag op nihil dient te worden vastgesteld.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1676) mag, gelet op de uitleg van het netto inkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz 2004, een positief inkomen niet worden gesaldeerd met een negatief bedrijfsresultaat. De Raad voegt hieraan toe dat de verleende Bbz-uitkering is bedoeld voor de kosten van levensonderhoud en in die zin op één lijn te stellen is met periodieke algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Ook ingeval van bijstand ingevolge de WWB wordt rekening gehouden met de inkomsten van beide in de gezinsbijstand begrepen partners.

4.3.

Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het vertrouwensbeginsel aan terugvordering van het bedrag van € 4.120,99 in de weg staat. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat het college in oktober 2011 de inkomsten van appellante in mindering heeft gebracht op de Bbz-uitkering, maar deze inhouding naderhand ongedaan heeft gemaakt. Gelet hierop mochten zij erop vertrouwen dat de inkomsten van appellante volledig buiten beschouwing zouden worden gelaten.

4.4.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan of de daartoe bevoegde functionaris uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Uit de omstandigheid dat de inhouding in oktober 2011 ongedaan is gemaakt, omdat aan deze inhouding geen besluit ten grondslag lag, valt een dergelijke toezegging niet af te leiden. De Raad wijst er in dit verband overigens op dat uit artikel 1, aanhef en onder d en e, in samenhang gelezen met artikel 6, eerste lid, en artikel 12, eerste lid, van het Bbz 2004 volgt dat de definitieve vaststelling van het netto inkomen plaatsvindt aan de hand van het boekjaar, te weten de periode van 12 maanden waarover de zelfstandige de administratie voert. Pas na afloop van het boekjaar kan het recht op bijstand definitief worden vastgesteld en kan er, zo nodig, een besluit tot terugvordering worden genomen. Het door appellanten gedane beroep op het vertrouwensbeginsel treft dus geen doel.

4.5.

Appellanten hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkenen. De door appellanten aangevoerde financiële situatie betreft geen dringende reden in deze zin. Hierbij dient te worden opgemerkt dat appellanten bij de invordering van de onderhavige terugvordering kunnen blijven beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gestelde autistische stoornis van appellant kan, wat daarvan zij, evenmin een dringende reden opleveren, reeds omdat deze stoornis niet het gevolg is van de terugvordering.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.M. Fleuren

HD