Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
13-9 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag voor de jaren 2010 en 2011. Geen bijzondere omstandigheid die afwijking rechtvaardigt van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend. Hoogte van de woonkostentoeslag. Niet kan worden gezegd dat het college voor de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij het systeem van de Wht en de daarin begrepen kwaliteitskorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/9 WWB, 13/197 WWB

Datum uitspraak: 16 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 december 2012, 12/325 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats](appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.C.W. Sterk en mr. E.M.C. Lochtman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 1 april 2010 algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

1.2.

Op 21 juli 2011 hebben appellanten een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag voor de jaren 2010 en 2011.

1.3.

Bij besluit van 8 september 2011 heeft het college aan appellanten een woonkostentoeslag toegekend over de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 tot een bedrag van € 254,42 per maand. Bij besluit van 22 september 2011 heeft het college appellanten over de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 december 2010 een woonkostentoeslag tot een bedrag van € 255,69 toegekend en de aanvraag voor woonkostentoeslag voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2010 afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 12 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 8 september 2011 en 22 september 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingangsdatum

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875) vloeit uit artikel 43, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) voort dat in beginsel geen recht op bijstand bestaat voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2.

Het college hanteert ten aanzien van aanvragen om bijzondere bijstand beleid, zoals neergelegd in de Richtlijnen bijzondere bijstand. Dit beleid houdt onder meer in dat aanvragen die men langer dan twaalf maanden nadat de kosten zijn gemaakt indient, in beginsel worden afgewezen. Dit beleid dient te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid, voor zover op grond daarvan bijzondere bijstand met terugwerkende kracht kan worden verleend ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen.

4.3.

Niet in geschil is dat de toekenning van de woonkostentoeslag met ingang van

1 augustus 2010 in overeenstemming is met het onder 4.2 weergegeven beleid. Appellanten stellen zich echter op het standpunt dat bijzondere omstandigheden verdergaande terugwerkende kracht, te weten tot 1 januari 2010 dan wel 1 april 2010, rechtvaardigen. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat het college in april 2010 bij de toekenning van de

Bbz-uitkering voor de kosten van levensonderhoud heeft nagelaten informatie te verstrekken over de mogelijkheid tot het aanvragen van bijzondere bijstand voor de woonkosten.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in dit geval niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.1 dat het college, los van het beleid, tot bijstandsverlening met terugwerkende kracht had dienen over te gaan. Hierbij is van belang dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van appellanten behoort om tijdig een aanvraag om (bijzondere) bijstand in te dienen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

15 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2051) leidt onbekendheid met wet- of regelgeving, of gebrek aan voorlichting van de zijde van het college, niet tot een bijzondere omstandigheid die afwijking rechtvaardigt van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college aan appellanten terecht met ingang van

1 augustus 2010 woonkostentoeslag heeft toegekend en dat de hiertegen gerichte beroepsgrond niet slaagt.

Hoogte van de woonkostentoeslag

4.6.

Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.7.

Voor de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag heeft het college overeenkomstig het gemeentelijke beleid aangesloten bij het systeem van de Wet op de huurtoeslag (Wht). In dit systeem is een zogeheten kwaliteitskorting begrepen, welke is gebaseerd op de gedachte dat hoe duurder de woning is, des te meer voor rekening van de bewoner blijft. De gronden van appellanten richten zich tegen de toepassing van deze kwaliteitskorting bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag. Appellanten stellen zich op het standpunt dat in hun geval bijzondere omstandigheden, waaronder de kosten van onderhoud van de woning, rechtvaardigen dat het college geen rekening houdt met deze kwaliteitskorting.

4.8.

Niet kan worden gezegd dat het college voor de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij het systeem van de Wht en de daarin begrepen kwaliteitskorting. Niet valt in te zien dat deze kwaliteitskorting voor woningeigenaren achterwege gelaten moet worden. Ook voor woningeigenaren geldt immers dat zij niet te duur moeten blijven wonen. Voorts is van belang dat bij de vaststelling van de woonkosten van appellanten naast de hypotheekrente en de zakelijke lasten, tevens de kosten van groot onderhoud in aanmerking zijn genomen. Dat hierbij wordt uitgegaan van forfaitaire bedragen, waarbij rekening wordt gehouden met het bouwjaar van de woning, wordt niet onredelijk geacht.

4.9.

Gelet op 4.1 tot en met 4.8 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellanten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.M. Fleuren

HD