Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
13-5817 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand voor de duur van twee maanden met 100%. Appellant is niet verschenen op een kennismakingsgesprek in verband met een vacature. Het gedrag van appellant is door het college terecht is aangemerkt als het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5817 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 september 2013, 12/6317 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Weesp (college)

Datum uitspraak: 16 december 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.P.M. van Gerven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gerven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

P. Koppen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 17 augustus 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 12 september 2011 is appellant door het college aangemeld voor het traject Werken aan Werk. Tijdens dit traject heeft het college appellant op zijn verzoek toestemming verleend een opleiding tot chauffeur te volgen. De opleiding zou op 30 januari 2012 beginnen en vijf dagen duren. Op 16 maart 2012 is appellant gezakt voor het chauffeursexamen. In afwachting van het doen van een herexamen is appellant opnieuw aangemeld voor het traject Werken aan Werk. In dat kader is appellant op 8 juni 2012 aangemeld voor een joboffer bij [naam bedrijf], heeft op 18 juni 2012 een intakegesprek plaatsgevonden en is op die dag telefonisch een aanbod besproken voor een commerciële functie bij de [naam bedrijf 2]. Op 20 juni 2012 is aan appellant persoonlijk een uitnodiging uitgereikt voor een kennismakingsgesprek op 21 juni 2012 in verband met een vacature bij de [naam bedrijf 2]. Appellant heeft op 21 juni 2012 ’s ochtends per sms zijn contactpersoon bij [naam bedrijf] verzocht het gesprek te verschuiven. Het gesprek was naar zijn mening niet zinvol omdat hij op 29 juni 2012 een (her)rijexamen kon afleggen en daarna zou kunnen starten als directiechauffeur. Direct daarna heeft de medewerker van [naam bedrijf] met appellant telefonisch contact opgenomen, appellant duidelijk gemaakt dat hij op dit gesprek moest verschijnen, dat uitstel niet mogelijk was en hem gewezen op de mogelijke gevolgen van het niet verschijnen op dit gesprek voor de bijstand. Voorts is hem meegedeeld dat de voorgestelde functie heel goed is te combineren met zijn beoogde baan als part-time

directie-chauffeur. Appellant is niet naar het gesprek bij de [naam bedrijf 2] gegaan.

1.3.

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2012 voor de duur van twee maanden verlaagd met 100%.

1.4.

Bij besluit van 12 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2012 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant door niet te verschijnen op het onder 1.2 vermelde kennismakingsgesprek algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft aanvaard en daarmee niet heeft voldaan aan de arbeidsverplichting in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aangaande de stelling van appellant dat het besluit van 17 juli 2012 onbevoegd is genomen onderschrijft de Raad overweging 3.2 van de aangevallen uitspraak, inhoudende dat het bevoegdheidsgebrek met het bestreden besluit geacht wordt te zijn gerepareerd.

4.2.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden.

4.3.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hier bedoelde verordening is in dit geval de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012 van de gemeente [woonplaats] (verordening).

4.4.

Het college heeft de aan appellant verweten gedraging aangemerkt als een gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel 9, vierde lid, aanhef en onder a, van de verordening, te weten het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.

4.5.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het gedrag van appellant door het college in het bestreden besluit terecht is aangemerkt als het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Dat in het besluit van 17 juli 2012 de gedraging van appellant is omschreven als het niet naar vermogen getracht hebben algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen doet daar niet aan af, reeds gelet op de herstelfunctie van de bezwaarprocedure. Uit de gedingstukken, met name uit de email-berichten van [naam bedrijf] van 13 en 14 september 2012, kan worden opgemaakt dat appellant wist dan wel kon weten dat tijdens het kennismakingsgesprek een concreet werkaanbod zou worden gedaan voor een functie als commercieel medewerker bij de [naam bedrijf 2]. De inhoud van die functie is met appellant besproken. Tijdens het kennismakingsgesprek zouden onder meer het aantal uren en de inzetbaarheid nog worden besproken. De grond dat appellant het gesprek alleen wilde verzetten en niet een arbeidsaanbod heeft geweigerd, slaagt niet. Door de medewerker van [naam bedrijf] is appellant op

21 juni 2012 in een reactie op zijn sms, telefonisch te verstaan gegeven dat uitstel niet mogelijk is en dat hij op het gesprek dient te verschijnen. Nu hij desondanks niet op het gesprek is verschenen heeft hij geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarbij is van belang dat niet valt in te zien dat het geplande her(rij)examen op 29 juni 2012 een belemmering vormde om op het gesprek te verschijnen. De grond dat appellant bang was zijn kans op een baan als directie-chauffeur te verspelen als hij het arbeidsaanbod zou aanvaarden, slaagt niet. Immers, tijdens het gesprek op 21 juni 2012 is hem meegedeeld dat de functie bij de [naam bedrijf 2] goed is te combineren met de functie van directie-chauffeur. Bovendien was op dat moment nog niet zeker of hij als directie-chauffeur zou kunnen werken, nu hij voor het behalen van zijn chauffeursdiploma nog een her(rij)examen moest afleggen.

4.6.

Uit 4.5 vloeit voort dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant te verlagen. De hoogte van de verlaging is in overeenstemming met artikel 9, vierde lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 10, eerste lid, onder d van de verordening bepaald op 100% voor de duur van twee maanden. Er is geen grond om aan te nemen dat de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeerde, het college aanleiding hadden dienen te geven om de vastgestelde verlaging te matigen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de verordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd worden evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de verordening aanwezig gezien op grond waarvan van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien.

4.7.

Uit 4.2 tot en met en 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade is onder deze omstandigheden geen plaats, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD