Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
13-4183 AWBZ-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Beroepen niet-ontvankelijk. Reeds verstreken indicatie. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4183 AWBZ-PV, 14/6638 AWBZ-PV

Datum uitspraak: 12 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2013, 12/4084 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

CIZ

Zitting hebben: H.C.P. Venema, G. van Zeben-de Vries, M.I. ’t Hooft

Griffier: M. Crum

Ter zitting zijn verschenen: namens appellant mr. M.C. Spil, advocaat en namens CIZ

J. Henneveld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.1.

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van de aan hem verleende indicatie voor de zorgfunctie behandeling individueel en voor uitbreiding van de aan hem verleende indicatie met de zorgfunctie begeleiding groep voor vijf dagdelen per week.

1.2.

Bij besluit van 19 januari 2012 heeft CIZ aan appellant een indicatie verleend voor de zorgfunctie behandeling individueel voor de periode van 19 januari 2012 tot 18 januari 2013 en voor de zorgfunctie begeleiding groep voor twee dagdelen per week voor de periode van 19 januari 2012 tot 18 januari 2017.

1.3.

Bij besluit van 4 juli 2012 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 januari 2012 ongegrond verklaard en dat besluit vervangen door een nieuw indicatiebesluit. Bij dit nieuwe indicatiebesluit is aan appellant de indicatie voor de zorgfunctie behandeling individueel ongewijzigd verleend en is zijn indicatie voor de zorgfunctie begeleiding groep beëindigd met ingang van 15 augustus 2012.

1.4.

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft CIZ appellant een indicatie verleend voor de zorgfunctie behandeling individueel voor de periode van 10 januari 2013 tot en met

9 juli 2013. Met toepassing van artikel 7:1a Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft appellant tegen dit besluit beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de tegen de besluiten van 4 juli 2012 en

10 januari 2013 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. In dit verband leest de Raad de woorden “het beroep” in rechtsoverweging 2.9 en het dictum van de aangevallen uitspraak als “de beroepen”.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daartoe kort samengevat aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat CIZ de indicatie voor begeleiding groep mocht beëindigen.

4.1.

Ter zitting van de Raad is aan de orde gekomen dat CIZ bij besluit van 3 maart 2014 aan appellant een nieuwe indicatie heeft verleend voor de zorgfunctie behandeling individueel voor de periode van 10 juli 2013 tot 17 maart 2014 en voor de zorgfuncties begeleiding individueel (klasse 1), begeleiding groep (twee dagdelen) en persoonlijke verzorging (klasse 2) voor de periode van 10 juli 2013 tot 10 maart 2015. Daarnaar gevraagd heeft appellant ter zitting te kennen gegeven dat zijn procesbelang bestaat uit een uitspraak van de Raad over de zorgfunctie begeleiding groep.

4.2.

In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn geen gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken indicatie, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige indicatie.

4.3.

De Raad stelt vast dat het geschil de beoordeling betreft van een reeds verstreken indicatie. Verder stelt de Raad vast dat het besluit van 3 maart 2014 inmiddels onherroepelijk is en dat ter zitting is gebleken dat appellant zich met de inhoud van dat besluit kan verenigen. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien hoe een uitspraak in deze procedure nog van belang kan zijn voor een toekomstige indicatie. Appellant heeft verder geen verzoek tot schadevergoeding gedaan. Dit betekent dat de hoger beroepen wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) M. Crum (getekend) H.C.P. Venema

JL