Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4206

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13-4285 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting van loongerelateerde WGA-uitkering naar een WGA-vervolguitkering. Mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 44,89%. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht is uitgegaan van benutbare mogelijkheden bij appellante. Juistheid FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4285 WIA

Datum uitspraak: 12 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 juli 2013, 13/2088 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft op deze stukken gereageerd.

De zaak is behandeld op de zitting van 31 oktober 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. dr. J.H. Ermers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als kinderleidster voor 27 uur per week. Appellante heeft zich op 6 mei 2010 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet bij het Uwv ziek gemeld wegens rugklachten en psychische klachten.

1.2.

Bij besluit van 24 september 2012 heeft het Uwv appellante met ingang van

28 augustus 2012 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3.

Bij een tweede besluit van 24 september 2012 heeft het Uwv in aansluiting op de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering appellante met ingang van 27 september 2012 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet WIA.

1.4.

Bij besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 24 september 2012 ongegrond verklaard. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 44,89%.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv terecht uitgegaan van benutbare mogelijkheden bij appellante en heeft terecht een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Blijkens de toelichting bij de Standaard Geen Benutbare Mogelijkheden wordt betrokkene slechts dan als niet zelfredzaam gezien indien zij bij de ADL-activiteiten afhankelijk is van anderen. De omstandigheden van appellante zijn niet van dien aard. De rechtbank is voorts van oordeel dat de medische beoordeling door de verzekeringsartsen niet onzorgvuldig is geweest. Er zijn volgens de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de psychische beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van dezelfde diagnose als de behandelend sector heeft gesteld, namelijk ADHD met borderline-kenmerken. De rechtbank heeft verder overwogen geen reden te hebben om te twijfelen aan de verklaring van appellante dat zij lijdt aan zware hoofdpijnen, maar de rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat ten gevolge van een objectiveerbare ziekteoorzaak voor de hoofdpijnen meer of zwaardere beperkingen moeten worden aangenomen. Met betrekking tot de rugklachten heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante geen medische informatie heeft ingebracht die aanleiding geeft om verdergaande beperkingen aan te nemen.

2.2.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de voor appellante geselecteerde functies haar belastbaarheid niet overschrijden. De arbeidsdeskundigen hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt dat de functies passend zijn voor appellante.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv voldoende rekening heeft gehouden met haar klachten en beperkingen. Appellante stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij benutbare mogelijkheden heeft, omdat er geen sprake van ADL-afhankelijkheid is. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij geschikt is de werkzaamheden in de geduide functies te verrichten. Appellante heeft nadere medische stukken van de GGZ, de huisarts en de fysiotherapeut ingediend.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken in de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht is uitgegaan van benutbare mogelijkheden bij appellante. Uit hun rapporten blijkt dat de verzekeringsartsen appellante hebben onderzocht en geconcludeerd dat zij benutbare mogelijkheden heeft. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat appellante niet voldoet aan de Standaard Geen Benutbare Mogelijkheden. Ook overigens heeft appellante haar standpunt dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft niet met medisch objectieve stukken onderbouwd.

4.3.

De in hoger beroep door appellante overgelegde medische stukken leiden niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 oktober 2014, zoals aangevuld ter zitting, voldoende gemotiveerd dat deze stukken niet tot de conclusie leiden dat in de FML onvoldoende beperkingen zijn opgenomen.

4.4.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundigen inzichtelijk en overtuigend hebben toegelicht dat de geduide functies voor appellante geschikt zijn te achten. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarbij geen rekening is gehouden met haar incontinentie. Uit de functieomschrijvingen van de geduide functies blijkt dat voldoende gelegenheid bestaat om tussendoor het toilet te bezoeken. Dat ter zitting bij de rechtbank de gemachtigde van het Uwv heeft verklaard dat genoeg mogelijkheden tot toiletbezoek bestaan in de geduide functies en niet een arbeidsdeskundige, doet daar niet aan af.

4.5.

Appellante stelt in hoger beroep dat zij de functie van productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) niet kan vervullen, omdat zij een beperking heeft op vasthouden en verdelen van de aandacht. Appellante onderbouwt haar standpunt met een beroep op de uitspraak van de Raad van 25 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN5555). Dit standpunt wordt door de Raad niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd dat en waarom de functie passend is voor appellante. De uitspraak van de Raad van 25 augustus 2010 betreft voorts een andere functie.

4.6.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) J.T.P. Pot

TM