Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
12-6033 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 60%. Zorgvuldige medische onderzoeken. De beperkingen van appellante zijn niet onderschat. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies worden in medisch opzicht passend geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6033 WIA

Datum uitspraak: 31 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

2 oktober 2012, 11/2235 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Chr.F. van der Vlis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Vlis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. Als tolk was aanwezig S. Güs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 29 januari 2004 uitgevallen voor haar werkzaamheden als productiemedewerkster vanwege psychische klachten en nek- en schouderklachten. Aan appellante is met ingang van 26 januari 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft appellante met ingang van

6 augustus 2008 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering omdat haar mentale klachten zo fors waren dat zij feitelijk duurzaam niet in staat was in een baan te functioneren.

1.2. Bij besluit van 25 februari 2011 heeft het Uwv na een medische en arbeidskundige herbeoordeling vastgesteld dat appellante met ingang van 26 april 2011 geen recht meer heeft op een IVA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Na bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 26 september 2011 vastgesteld dat appellante met ingang van

26 april 2011 recht heeft op een WGA-vervolguitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 60%.

2.1. Hangende het beroep van appellante tegen het besluit van 26 september 2011 heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2012 (bestreden besluit) het besluit van 26 september 2011 in zoverre gewijzigd dat appellante met ingang van 26 april 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Het Uwv heeft het besluit van 26 september 2011 voor het overige gehandhaafd.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gericht tegen het besluit van 26 september 2011 vanwege het ontbreken van een procesbelang

niet-ontvankelijk verklaard en beslissingen genomen over de vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat zij op grond van de beschikbare gedingstukken geen twijfel heeft over de juistheid van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van appellante per 26 april 2011. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts appellante (in vergelijking tot de beoordeling door de verzekeringsarts) meer beperkt heeft geacht ten aanzien van de psyche, de duurbeperking heeft aangescherpt en toegelicht heeft waarom er geen aanleiding bestaat voor het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de in beroep ingezonden medische informatie van de behandelend psycholoog/psychiater en anesthesioloog geen nieuwe gezichtspunten biedt om de belastbaarheid van appellante op de datum in geding te herzien. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

3.

In hoger beroep heeft appellante - voor zover relevant - zich op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Zij heeft staande gehouden dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, waardoor zij recht heeft op een IVA-uitkering. Zij ziet zich gesteund in haar standpunt door de verklaringen van haar behandelaars. Appellante benadrukt dat haar medische situatie sinds 2006 alleen maar is verslechterd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting op 29 november 2013, wordt in de eerste plaats vastgesteld dat appellante in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

4.2.

Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische onderzoeken door het Uwv niet zorgvuldig zijn verricht. De verzekeringsarts heeft onderzoek verricht naar de psychische en lichamelijke beperkingen van appellante. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 20 juli 2011 volgt dat de bezwaarverzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek heeft verricht, maar dat zij wel een onderzoek naar de psyche heeft verricht en dat zij zich daarvan een indruk heeft kunnen vormen. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts ter vaststelling van de psychische en lichamelijke beperkingen dossieronderzoek verricht en de in bezwaar overgelegde informatie van behandelaars meegewogen en beoordeeld.

4.3.

In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, is geen aanleiding gelegen het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor onjuist te houden. Daarbij wordt in ogenschouw genomen dat appellante in hoger beroep haar stellingen niet nader heeft onderbouwd met medische gegevens waarover de rechtbank niet de beschikking had. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de bezwaarverzekeringsarts op overtuigende wijze heeft uiteengezet waarom aan de in bezwaar en beroep overgelegde informatie van behandelaars niet kan worden ontleend dat appellante op de datum in geding niet tot het verrichten van arbeid in staat was. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van informatie van psycholoog I. Aoulad Lahcene en psychiater M. Catak van 6 juli 2011 geconcludeerd dat bij appellante opnieuw sprake is van een depressieve stoornis, ernstig, zonder psychotische kenmerken en PTSS. Zij heeft hierin aanleiding gezien de Functionele Mogelijkhedenlijst aan te scherpen. De bezwaarverzekeringsarts stelt zich op het standpunt dat appellante niet voldoet aan de criteria van volledige arbeidsongeschiktheid, omdat er geen sprake is van volledig disfunctioneren op drie niveaus. Wat betreft de fysieke belastbaarheid van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van in bezwaar ontvangen informatie van behandelaars vastgesteld dat de aard van de pijnklachten van appellante onveranderd te duiden is als tendomyogene pijnklachten en dat de vastgestelde belastbaarheid hieruit niet is gewijzigd. De bezwaarverzekeringsarts acht het vanwege een bij appellante vastgestelde pijnstoornis, waarbij psychische factoren een rol spelen, wel plausibel dat appellante vanwege de verslechterde psychische toestand meer pijnklachten ervaart en meer spanning vasthoudt in de spieren. De Raad onderschrijft deze beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts bij rapporten van

13 februari 2012, 15 mei 2012 en 4 juli 2012 inzichtelijk heeft toegelicht waarom de in beroep ingezonden medische informatie van Aoulad Lahcene en psychiater Negash van 7 maart 2012 en van Aoulad Lahcene en Catak van 8 mei 2012 alsmede de informatie van anesthesioloog S.A. Renshof van 31 oktober 2011, 13 mei 2011 en 22 mei 2012, waaraan gerefereerd wordt in hoger beroep, haar geen aanleiding hebben gegeven het ingenomen standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellante te wijzigen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dienaangaande.

4.4.

Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat, heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend zijn voor appellante.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en K. Wentholt en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.P. Ketting

QH