Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13-1803 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Juistheid FML. Geschiktheid functies. De beschikbare gegevens rechtvaardigen niet de conclusie dat appellant slechts geschikt was voor arbeid in WSW-verband. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het voorstelbaar acht dat appellant adequate en intensieve begeleiding nodig heeft om te komen tot een invulling van zijn reëel aanwezige restverdiencapaciteit. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat dit ziet op de begeleiding naar arbeid (zijnde de geduide functies). Dat appellant voor de uitvoering van de aan de geduide functies verbonden werkzaamheden is aangewezen op intensieve begeleiding volgt niet uit de informatie van psycholoog Wester.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1803 WIA

Datum uitspraak: 12 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2013, 12/2906 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is door mr. P. Rijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande schriftelijke kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.H.M. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 augustus 1990 werkzaam geweest als docent bij de Stichting AOC Friesland. Op 17 april 2009 is appellant voor zijn werkzaamheden uitgevallen als gevolg van psychische klachten. Bij appellant is sprake van ADD, autistiforme copingstijl alsmede een chronische burn-out bij cluster C persoonlijkheidstrekken. Voorts is dyslexie vastgesteld. Appellant is tevens werkzaam als zelfstandig boomkweker (enten van walnootbomen) en deze werkzaamheden heeft hij nog voortgezet.

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 15 april 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 15 november 2011 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zijn besluit van 31 maart 2011 herroepen en aan appellant met ingang van 15 april 2011 alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 35 tot 80%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden van bezwaar en beroep, samengevat, aangevoerd dat de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) bij de vaststelling van zijn belastbaarheid onvoldoende rekening hebben gehouden met de ernst van de chronische burn-out, die naar de mening van appellant tot algehele arbeidsongeschiktheid dient te leiden. Voorts heeft appellant gesteld dat hij is aangewezen op zodanige specifieke begeleiding op een werkplek dat hij feitelijk alleen geschikt is voor het werken in een beschermde werksetting. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de reeds voorhanden zijnde medische informatie van J. Wester, klinisch psycholoog, en G.J. Dekker, arts/systeemtherapeut, alsmede het expertiserapport van 2 augustus 2012 van drs. M.F. Nijholt, GZ-psycholoog.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

De hoger beroepsgronden vormen in essentie een herhaling van de gronden die appellant in eerste aanleg heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de gronden terecht verworpen.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) vastgestelde en in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 maart 2011 neergelegde psychische beperkingen van appellant met betrekking tot zijn arbeidsmogelijkheden op de datum in geding 15 april 2011. De Raad volstaat met een verwijzing naar de overwegingen onder 4 van de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft deze overwegingen en voegt daaraan toe dat uit de voorhanden zijnde medische gegevens blijkt dat appellant jarenlang gefunctioneerd heeft in werk dat zeer aannemelijk juist een appel deed op zijn kwetsbaarheden en dat hij uiteindelijk vanwege de toenemende eisen in zijn werkomgeving is gedecompenseerd. De verzekeringsartsen hebben vastgesteld dat bij appellant sprake is van psychiatrische problematiek die niet dusdanig ernstig is dat gezegd moet worden dat appellant geen benutbare mogelijkheden heeft. Verder wordt psychopathologie in engere zin als stemmings- of angstproblematiek door de zogenoemde behandelend sector niet beschreven. De Raad heeft geen aanwijzingen gevonden om dit standpunt voor onjuist te houden.

4.3.

Voorts wijst de Raad op het rapport van de verzekeringsarts van 4 april 2011, waarin is vermeld dat het voor appellant moeilijk is de draad weer op te pakken en dat appellant moeite heeft met de verwerking en acceptatie van de, uit zijn problematiek voortvloeiende, blijvende beperkingen waardoor hij is aangewezen op veel structuur, hij niet te veel aan stress mag worden blootgesteld en rekening moet worden gehouden met zijn beperkte prikkelgevoeligheid. In dat rapport is voorts vermeld dat appellant ondanks deze problematiek een normaal gestructureerd dagverhaal laat zien zonder structureel extra rustpauzes en gevuld met afwisselende activiteiten, waarbij de verzekeringsarts opmerkt dat deze in rustige omgeving en in eigen tempo plaatsvinden en waarbij appellant langdurige sociale contacten zoveel mogelijk vermijdt. De verzekeringsartsen hebben beperkingen aangenomen voor veelvuldige omgevingsprikkels, waaronder veel geluid, en appellant aangewezen geacht op een duidelijke structuur, taakomschrijving en taakbegrenzing. Tevens is vermeld dat appellant niet flexibel inzetbaar is, niet dient te werken in grote groepen en bij samenwerking aangewezen is op eigen taken. Tot slot is appellant niet in staat om te gaan met hoge werkdruk en andere stresserende situaties zoals conflicthantering. Gezien de aard en ernst van de aandoening en de daginvulling (ten tijde in geding) is er geen indicatie voor een urenbeperking. Deze motivering is inzichtelijk en komt ook de Raad niet onjuist voor.

4.4.

Voorts is de Raad uit de door appellant genoemde medische informatie van Wester, Dekker en Nijholt niet gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. De enkele omstandigheid dat in het expertiserapport van augustus 2012 de diagnose ‘atypisch autisme’ (pervasieve ontwikkelingsstoornis) wordt vermeld, leidt niet tot een ander oordeel aangezien niet de diagnose maar de beperkingen doorslaggevend zijn.

4.5.

Gezien vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om een psychiatrische expertise te laten verrichten.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen, moet het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat de in bezwaar aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht geschikt zijn en deze functies aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd mochten worden. De Raad wijst in dit verband op de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 oktober 2011 en 15 november 2011, waarin naar behoren is gemotiveerd dat de belasting van de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt.

4.7.

De stelling van appellant dat hij slechts geschikt is voor werkzaamheden onder beschutte omstandigheden en hem dus geen functies in het vrije bedrijf kunnen worden opgedragen slaagt niet. De beschikbare gegevens rechtvaardigen niet de conclusie dat appellant slechts geschikt was voor arbeid in WSW-verband. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het voorstelbaar acht dat appellant adequate en intensieve begeleiding nodig heeft om te komen tot een invulling van zijn reëel aanwezige restverdiencapaciteit. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat dit ziet op de begeleiding naar arbeid (zijnde de geduide functies). Dat appellant voor de uitvoering van de aan de geduide functies verbonden werkzaamheden is aangewezen op intensieve begeleiding volgt niet uit de informatie van psycholoog Wester.

4.8.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) J.T.P. Pot

TM