Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
20-01-2015
Zaaknummer
11-6335 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door de Raad benoemde deskundige wordt gevolgd. De deskundige heeft in de reactie van appellante op zijn rapport geen aanleiding gezien om zijn conclusies te herzien. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat met het succes van de laatste operatie is aangetoond dat de medische beoordeling in het kader van de Wet WIA niet juist of onvolledig is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6335 WIA

Datum uitspraak: 12 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage

van 21 september 2011, 11/4229 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. Chr.J.M. Scheen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Scheen en door H. Rouwmans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

Na de behandeling van de zaak is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. De Raad heeft aanleiding gezien om als onafhankelijk deskundige de maag-darm-leverarts dr. E.A. Rauws te benoemen. Deze heeft op 16 april 2014 rapport uitgebracht.

Appellante heeft bij brief van 1 juli 2014 (met bijlagen) haar zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden. Op verzoek van de Raad heeft de deskundige bij nader rapport van 22 augustus 2014 op de zienswijze van appellante gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 31 oktober 2014. Partijen zijn verschenen als ter zitting van 19 juli 2013.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft haar werkzaamheden als apothekersassistente voor 24 uren per week op 20 januari 2009 gestaakt vanwege buik- en darmklachten.

1.2.

Bij besluit van 29 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 25 januari 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3.

Bij besluit van 1 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 november 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het medisch onderzoek onjuist of onzorgvuldig is verlopen. Zij heeft voorts geen reden gezien tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de verzekeringsartsen bij hun beoordeling beschikten over informatie van behandelaars en deze informatie hebben meegewogen in hun conclusie. Appellante is aangewezen op werk waarbij ze niet lang hoeft te staan, zitten kan afwisselen met lopen of liggen, of zitten in een speciale stoel. Appellante kan niet langer dan 1 à 2 uur aaneen lopen, niet tillen met name niet van grondniveau en niet zwaar dragen. Voorts moet appellante op regelmatige tijden eten en slapen. De beperkingen zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 november 2010. Over de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante. Aan de omstandigheid dat het Uwv heeft ingestemd met het door appellante opgestelde stappenplan voor haar opleiding tot psychodynamica therapeute kan de rechtbank niet die gevolgen verbinden die appellante daaraan verbonden wenst te zien. Dat appellante een indicatie heeft voor huishoudelijke hulp kan bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA geen rol spelen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij met haar krachten en bekwaamheden niet in staat is de geduide functies te vervullen. Zelfs in de eigen woonomgeving kan zij de meest basale dingen niet doen. Alleen wanneer zij het grootste gedeelte van de dag ligt, kan zij lopen en zitten doch slechts voor korte duur. Zij is nog steeds onder behandeling van diverse specialisten en heeft ook in overleg met hen haar dagritme zo kunnen ontwikkelen. In deze context is zij ook de opleiding voor psychodynamica therapeute gaan volgen, waarin het Uwv financiële medewerking heeft verleend. Zij verzoekt de Raad om een onafhankelijke arts de vraag te laten beantwoorden of de beperkingen van medische en arbeidskundige aard haar nu wel of niet, en zo ja in welke mate, verhinderen de geduide functies te vervullen.

3.2.

In zijn rapport van 16 april 2014 heeft de maag-darm-leverarts dr. E.A. Rauws de Raad van advies gediend. De klachten van appellante zijn niet rechtstreeks objectief vast te stellen noch objectief medisch vast te stellen als oorzaak van ziekte of gebrek. Hij kan zich verenigen met de door de verzekeringarts vastgestelde, door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven, belastbaarheid van appellante zoals neergelegd in de FML van 4 november 2010.

3.3.

De schriftelijke reactie van appellante van 1 juli 2014 heeft de deskundige niet geleid tot een wijziging van zijn conclusies.

3.4.

Bij brief van 12 september 2014 heeft appellante de Raad in kennis gesteld van het feit dat zij op 4 september 2014 een operatie heeft ondergaan met als voornaamste doel de schade, veroorzaakt door de twee voorgaande operaties te herstellen. Vervolgens heeft appellante bij brief van 15 oktober 2014 nog overgelegd het operatieverslag en een uitgetypt verslag van de mondelinge uitleg die de operateur A. Steensma haar heeft gegeven. Appellante ziet in de nieuwe informatie voldoende ondersteuning voor haar stelling dat de conclusie die de verzekeringsarts M. Slebioda in zijn rapport van 9 december 2009 heeft getrokken, namelijk dat zij ongeschikt was voor haar eigen werk en veel beperkingen had voor het algeheel functioneren, de enig juiste was.

3.5.

Het Uwv heeft bij brief van 28 oktober 2014 in reactie hierop een nader rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep G.K. Hebly ingezonden.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.

De deskundige heeft in de reactie van appellante op zijn rapport geen aanleiding gezien om zijn conclusies te herzien.

4.2.

De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat met het succes van de laatste operatie is aangetoond dat de medische beoordeling in het kader van de Wet WIA niet juist of onvolledig is geweest. Voor het alsnog voorleggen van de nadere informatie aan de deskundige Rauws ziet de Raad geen aanleiding en evenmin voor het oproepen als getuige van dr. A. Gerritsen van der Hoop, die appellante in 2006 heeft geopereerd.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep Hebly stelt in zijn reactie van 28 oktober 2014 dat het operatieresultaat de veronderstelling ondersteunt dat de organen van appellante eerst anders aan elkaar kleefden en dat daardoor de klachten kunnen worden verklaard. Hiermee kan echter niet worden gesteld dat de in het kader van de Wet WIA keurende artsen Kroon, Momberg, Hebly en de expert MDL-arts de belastbaarheid van appellante op de datum in geding verkeerd hebben ingeschat. Die schattingen vonden plaats in een veel ruimer verband, namelijk het toen actuele functioneren met de klachten. De klachten werden erkend en de oorzaak is door het succes van de herstellende operatie in 2014 ook niet veranderd. Anders gezegd: een operatie die klachten wegneemt in 2014, wijst niet op meer of minder klachten in 2011, maar alleen op de oorzaak en de mogelijkheid deze (toch nog) te verhelpen. Dat appellante teruggrijpt naar uitspraken van de bedrijfsarts en de primaire verzekeringsarts die destijds in het kader van de Ziektewet optrad, kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet volgen. De WIA-keuring is volledig verricht, gedocumenteerd en bevestigend aangevuld door een expert MDL-arts.

4.4.

De Raad volgt de opvatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de ervaringen van appellante tijdens en na de operatie van 2014 niet doen twijfelen aan de schatting van haar belastbaarheid in 2011.

4.5.

De rechtbank heeft daarom met juistheid vastgesteld dat het bestreden besluit berust op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De beperkingen van appellante rond de datum in geding zijn niet onderschat en zij moet met haar krachten en bekwaamheden in staat worden geacht de voor haar geselecteerde functies te vervullen.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding noch voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

12 december 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) S.K. Dekker

CVG