Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4182

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
14-990 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging kinderbijslag op grond van de Wet woonlandbeginsel voor kinderen die in Turkije wonen is niet in strijd met het internationale recht.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene Kinderbijslagwet 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/51

Uitspraak

14/990 AKW, 14/991 AKW, 14/992 AKW

Datum uitspraak: 12 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2014, 13/4013, 13/4014, 13/4075 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene 1] te [A.], Turkije ([betrokkene 1])

[betrokkene 2] te [B.], Turkije ([betrokkene 2])

[betrokkene 3] te [C.], Turkije ([betrokkene 3]), tezamen ook betrokkenen

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkenen heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2014. Namens betrokkenen is mr. Türkkol verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg en mr. M.M.W. van der Ent-Eltink. De zaken zijn ter zitting gevoegd behandeld met de gedingen met de nummers 14/1022 AKW, 14/1024 AKW tot en met 14/1029 AKW, 14/1054 AKW en 14/1055 AKW. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en er worden afzonderlijke uitspraken gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 1 juli 2012 is in werking getreden de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz). Met deze wet is onder meer in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) artikel 12 gewijzigd, in het bijzonder het tweede lid. Hierdoor wordt aan rechthebbende wiens kind niet in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie (EU), een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), dan wel Zwitserland woont, een uitkering verstrekt ter hoogte van een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het (kort samengevat) in Nederland geldende bedrag aan kinderbijslag. Voor Turkije is dit percentage voor 2013 vastgesteld op 60%. Dit percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is en dat van Nederland, waarbij dat percentage nooit hoger dan 100% kan zijn. Voor de rechthebbende die al voor 1 juli 2012 kinderbijslag ontving, is de ingangsdatum van de wijziging van artikel 12 van de AKW bepaald op 1 januari 2013.

1.2.

Betrokkenen wonen, met hun kinderen, in Turkije en ontvingen al (ruim) voor 1 juli 2012 kinderbijslag. Met besluiten van 14 januari 2013 ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) en 6 februari 2013 ([betrokkene 3]) heeft de Svb betrokkenen laten weten dat zij met ingang van het eerste kwartaal van 2013 minder kinderbijslag ontvangen, omdat de hoogte is aangepast aan het kostenniveau van het land waar de kinderen wonen. Met drie beslissingen van 11 juli 2013 (bestreden besluiten) zijn de eerder genoemde besluiten in stand gelaten.

2. De rechtbank heeft, voor zover in deze gedingen van belang, het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat artikel 9 van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Associatieovereenkomst) niet autonoom van toepassing is indien de Associatieraad een specifiek discriminatieverbod heeft vastgesteld op het bijzondere gebied van de sociale zekerheid. Dat verbod is neergelegd in artikel 3 van Besluit 3/80. Nu artikel 3 van Besluit 3/80, evenals artikel 39, derde lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst (Aanvullend Protocol), slechts betrekking heeft op personen woonachtig in de Europese Unie kan een beroep hierop niet slagen. Evenmin slaagt een beroep op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (NTV) en op het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (EVSZ), zo oordeelde de rechtbank. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van schending van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (Eerste Protocol), artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM (Twaalfde Protocol) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), omdat niet gezegd kan worden dat gelijke gevallen ongelijk behandeld worden. Wat betreft de gestelde (indirecte) discriminatie naar nationaliteit, en de vraag of dit gerechtvaardigd is, overweegt de rechtbank voorts, dat met de toepassing van artikel 12 van de AKW een legitiem doel in het algemeen belang wordt nagestreefd en dat het gekozen middel passend is om dat doel te bereiken.

3. In hoger beroep hebben betrokkenen hun standpunt herhaald. Daarnaast heeft mr. Türkkol ter zitting verzocht eveneens een oordeel, ten overvloede, te geven over de vraag of het woonlandbeginsel toegepast mag worden op de kinderbijslag in de situatie dat een Turks onderdaan in Nederland woont en de kinderen in Turkije.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Met betrekking tot het in 3 omschreven verzoek wordt vastgesteld dat een dergelijke situatie niet voorligt. Noch de bestreden besluiten, noch de aangevallen uitspraak hebben betrekking op een dergelijke situatie. De Raad kan en zal aan het verzoek dus geen gehoor geven.

Besluit 3/80

4.2.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkenen zich niet met succes kunnen beroepen op bepalingen uit Besluit 3/80. In artikel 6, de exportbepaling, is de kinderbijslag niet opgenomen als soort uitkering die naar Turkije geëxporteerd dient te worden indien de rechthebbende aldaar woonachtig is. De gelijke behandelingsbepaling van artikel 3 is in casu niet van toepassing, nu betrokkenen niet in een lidstaat van de Europese Unie (EU) woonachtig zijn.

Associatieovereenkomst

4.3.1.

Betrokkenen hebben betoogd dat, indien de gelijke behandelingsbepaling van Besluit 3/80 niet van toepassing zou zijn, zij op artikel 9 van de Associatieovereenkomst een beroep kunnen doen. Hierbij hebben zij gesteld dat de toepassing van het woonlandbeginsel leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit.

4.3.2.

De Raad laat in het midden of betrokkenen een direct beroep kunnen doen op artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Indien er sprake zou zijn van indirecte discriminatie naar nationaliteit, dan bestaat voor deze ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging.

4.3.3.

Een indirect onderscheid naar nationaliteit is niet zonder meer verboden, maar kan worden gerechtvaardigd indien daarvoor een objectieve en redelijke grond bestaat. Het gemaakte onderscheid moet daarnaast geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en het mag niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken.

4.3.4.

Zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, is het doel van de Wwsz “te voorkomen […] dat Nederlandse uitkeringen die buiten Nederland worden verstrekt, naar lokale maatstaven bezien, uit de pas lopen.” Volgens de regering moet geen verdere financiële ondersteuning worden geboden dan - de plaatselijke omstandigheden in aanmerking

genomen - noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Ten aanzien van de kinderbijslag wordt in de Memorie van Toelichting (p. 6) gesteld: “[H]et gaat om een tegemoetkoming in de kosten voor kinderen. Dit impliceert dat deze bijdragen een deel van de kosten voor kinderen dekken en dat de ouders in alle gevallen een eigen financiële verantwoordelijkheid voor hun kinderen houden. Kinderen die buiten Nederland woonachtig zijn en waarvoor kinderbijslag wordt betaald, wonen soms in landen waar het kostenniveau lager ligt dan in Nederland. Ongedifferentieerde uitkeringen op grond van de AKW […] doen in dat geval geen recht aan de eigen verantwoordelijkheid van de ouders. In het kader van de noodzaak om alle publieke middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten, is het niet wenselijk en niet rechtvaardig om mensen met kinderen in landen waar het kostenniveau lager ligt, een relatief hogere tegemoetkoming in de kosten voor kinderen te blijven verstrekken.”

4.3.5.

Dit doel moet aangemerkt worden als een legitiem doel. Hierbij speelt mee dat de kinderbijslag betaald wordt uit de algemene middelen; het efficiënt inzetten van deze middelen is in het algemeen belang. Bovendien is van belang dat betrokkenen post-actieven zijn die al geruime tijd weer woonachtig zijn in Turkije.

4.3.6.

Tot slot dient in dit verband nog de vraag beantwoord te worden of het gehanteerde middel in een redelijke verhouding staat tot het nagestreefde doel. Deze vraag dient bevestigend beantwoord te worden. Voor de vaststelling van de hoogte van de kinderbijslag wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van cijfers die afkomstig zijn van de Wereldbank. Deze cijfers zijn een maat voor het algemene kostenniveau in een land en dus ook voor de gemiddelde bestaanskosten. Nu het doel van het woonlandbeginsel is een tegemoetkoming in de kosten voor kinderen te verstrekken die passend is bij het kostenniveau van het land waar zij verblijven, is het middel geschikt dit doel te bereiken.

4.4.1.

Een toetsing aan artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol, artikel 1 van het Twaalfde Protocol en artikel 26 van het IVBPR leidt niet tot een ander resultaat.

4.4.2.

Daarbij is mede van belang dat in dit geding het, voor de hoogte van de kinderbijslag, bepalende gegeven is de woonplaats van het kind ten behoeve van wie kinderbijslag wordt verstrekt. Dit duidt op een onderscheid naar woonplaats. De Raad laat in het midden of in dit geding gesproken kan worden van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden nu voor deze eventuele ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

4.4.3.

Volgens constante jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid. Het onderscheid naar woonplaats is geen “verdacht” onderscheid, zodat ten aanzien van een dergelijk onderscheid de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” toekomt. Dit temeer waar het in dit geval gaat om een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid.

4.4.4.

Gezien het onder 4.3.5 en 4.3.6 overwogene is hier sprake van een gerechtvaardigd doel, waarbij het middel proportioneel is.

4.5.

Ten aanzien van het beroep van betrokkenen op het NTV en het EVSZ sluit de Raad zich geheel aan bij de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierover.

5. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd zal worden.

6. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) I. Mehagnoul

JL