Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13-5428 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Niet-verschoonbare termijnoverschrijding bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5428 WUV

Datum uitspraak: 11 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 september 2013, kenmerk BZ01652144 (bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Daar is appellant verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1948, is als zogenoemd tweede generatieslachtoffer gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Aan appellant zijn een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen toegekend.

1.2.

In maart 2013 heeft appellant verzocht om toekenning van vergoedingen voor onder meer het onderhouden van sociale contacten, een bril en orthopedische schoenen. Bij besluit van

17 juni 2013 heeft verweerder de aanvraag voor die voorzieningen afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt bij brief van 1 augustus 2013. Het bezwaarschrift is op 1 augustus 2013 per e-mail bij verweerder ingekomen. Het per (aangetekende) post verzonden bezwaarschrift is op 2 augustus 2013 bij verweerder ingekomen.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn van zes weken is ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2.

De termijn voor het indienen van een bezwaar is aangevangen op 18 juni 2013. De laatste dag van die termijn is dan 29 juli 2013. Aangezien het bezwaarschrift van appellant op

1 augustus 2013 bij verweerder is ingekomen is de bezwaartermijn overschreden.

2.3.

Appellant bestrijdt niet dat de verzending van het besluit van 17 juni 2013 ook daadwerkelijk op die datum heeft plaatsgevonden. Hij geeft echter aan dat hij het besluit veel later heeft ontvangen. Omdat het besluit niet aangetekend is verzonden en daardoor niet met zekerheid kan worden aangegeven wanneer het besluit door appellant is ontvangen kan, zo begrijpt de Raad, een overschrijding hem niet worden verweten.

2.4.

Indien de geadresseerde aantoont dan wel aannemelijk maakt dat de ontvangst van het besluit op een zodanig tijdstip heeft plaatsgevonden dat, gelet op de omstandigheden van het geval, moet worden geoordeeld dat redelijkerwijs niet binnen de termijn een (voorlopig) bezwaarschrift of beroepschrift kon worden ingediend, kan daarin een grond zijn gelegen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

2.5.

Appellant heeft de late ontvangst onvoldoende onderbouwd. Zo is door hem wel de datum van 30 september 2013 genoemd als de datum van ontvangst van het besluit, maar dat moet berusten op een vergissing omdat die datum ligt na de datum waarop het bezwaarschrift door hem aan verweerder is verzonden. Appellant heeft verder geen enkel (bewijs)stuk ingebracht waaruit de late ontvangst blijkt of aannemelijk wordt. Er is dan ook geen aanleiding om de termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten. Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2013 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.6.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen

HD