Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13-4284 WUV-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herhaalde aanvraag om een vergoeding voor de aanschaf van een auto. Toename van psychische klachten. De Raad neemt uitdrukkelijk in aanmerking de ter zitting door appellant en zijn gemachtigde op geloofwaardige wijze naar voren gebrachte en benadrukte problemen die zich tijdens de rit bij appellant hebben voorgedaan. Daarbij komt dat verweerder gezien de door appellant gestelde verergering ten onrechte een gericht medisch onderzoek achterwege heeft gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4284 WUV-T

Datum uitspraak: 11 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.H.A.M. Nieuwenhuis, wonende te Sittard, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 juli 2013, kenmerk BZ01582328 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door J.H.A.M. Nieuwenhuis als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1951, is in 1994 als zogenoemd tweede generatie-slachtoffer gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wuv. In dat verband is aanvaard dat appellant psychische klachten heeft die in overwegende mate in verband staan met de bij zijn ouders door de vervolging ontstane ziekten of gebreken.

1.2.

In 1996, 1998, 2000 en 2006 heeft appellant aanvragen ingediend om toekenning van een vergoeding van de kosten verbonden aan de aanschaf van een auto. Verweerder heeft deze aanvragen afgewezen, waarbij telkenmale is overwogen dat niet is gebleken dat bij appellant sprake is van een totale beperking voor het gebruik van het openbaar vervoer en/of vervoer per taxi.

1.3.

In juli 2012 heeft appellant opnieuw om een vergoeding voor de aanschaf van een auto gevraagd. Verweerder heeft bij besluit van 11 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, ook deze aanvraag afgewezen op de grond dat de gevraagde voorziening niet medisch noodzakelijk is. Daartoe is overwogen dat appellant in staat wordt geacht met een taxi te kunnen reizen.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Niet is geschil is dat appellant vanwege zijn causale psychische klachten zodanige beperkingen ondervindt dat hij niet met het openbaar vervoer kan reizen en dat dit ook ten tijde van de aanvraag in 2012 al het geval was. Gelet op het beleid van verweerder is dat echter niet voldoende. Voor het toekennen van een voorziening voor de aanschaf van een auto hanteert verweerder in het kader van artikel 20 van de Wuv het vereiste dat er sprake moet zijn van een absolute verhindering ten gevolge van causale aandoeningen om van het openbaar vervoer (trein, tram, bus en metro) en van de taxi gebruik te kunnen maken. Om in het kader van artikel 21 van de Wuv in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in die kosten geldt de eis dat de causale aandoeningen het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijken en daarnaast dat het gebruik van openbaar vervoer en taxi niet mogelijk is op grond van niet-causale aandoeningen. Dit beleid is in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wuv en mag, gelet op het inmiddels algemeen gebruikelijke karakter van de hier gevraagde voorziening, strikt worden uitgelegd (CRvB 24 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9382).

2.2.

Het standpunt van verweerder dat zich bij appellant een zodanige situatie niet voordoet is in eerste instantie gebaseerd op het medisch advies van de geneeskundig adviseur

R.J. Roelofs, arts. Deze adviseur concludeerde op basis van de al aanwezige medische informatie en recente informatie van de huisarts en behandelaars dat appellant nog altijd in staat wordt geacht om met de taxi te reizen. De bij appellant aanwezige long- en hartklachten kunnen naar het oordeel van Roelofs, gelet op de aard van de aandoeningen niet in overwegende mate in verband worden gebracht met de vervolgingsgevolgen van zijn ouders. Het bezwaar van appellant is ter advisering voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Deze arts heeft de bevindingen van Roelofs onderschreven. Alleen al de omstandigheid dat appellant in staat is geweest om 2½ uur met een bekende mee te rijden (naar Leiden in verband met de hoorzitting) maakt het niet aannemelijk dat hij buiten staat zou zijn om van een taxi gebruik te maken, aldus Maas.

2.3.

Ter toelichting op onderhavige herhaalde aanvraag is namens appellant aangegeven dat de bij appellant aanwezige psychische klachten in ernstige mate zijn toegenomen. Desalniettemin heeft verweerder geen aanleiding gezien een nader onderzoek in te stellen hetgeen hij in een dergelijk geval wel pleegt te doen. In plaats daarvan is hier volstaan met een “papieren” beoordeling. Het bestreden besluit berust dan uiteindelijk op een persoonlijk medisch onderzoek dat in 2000 heeft plaatsgevonden. Weliswaar heeft verweerder de huisarts en behandelaars van appellant benaderd met onder meer de vraag of appellant gebruik kan maken van de taxi, maar de verkregen antwoorden bieden geen grondslag voor het oordeel dat appellant wel met de taxi kan reizen. Het door verweerder gestelde ontbreken van een totale verhindering voor het reizen met de taxi lijkt dan ook gebaseerd op de omstandigheid dat appellant voor het geven van een mondelinge toelichting op het bezwaar is meegereden met zijn gemachtigde. Die enkele omstandigheid acht de Raad in dit geval onvoldoende om tot een dergelijk oordeel te kunnen komen. Hierbij neemt de Raad uitdrukkelijk in aanmerking de ter zitting door appellant en zijn gemachtigde op geloofwaardige wijze naar voren gebrachte en benadrukte problemen die zich tijdens de rit bij appellant hebben voorgedaan. Daarbij komt dat verweerder gezien de door appellant gestelde verergering ten onrechte een gericht medisch onderzoek achterwege heeft gelaten.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en gemotiveerd. De Raad acht het aangewezen dat verweerder op basis van een te verrichten psychiatrisch onderzoek een nader standpunt inneemt en dit neerlegt in een nieuw besluit. Aan verweerder zal dan ook worden opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De Raad zal daarvoor een termijn van drie maanden stellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt verweerder op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit van 4 juli 2013 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen

HD