Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
13-4912 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Benoeming bij koninklijk besluit. Appellant was in zijn functies bij het tuchtcollege ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet. Het feit dat appellant in zijn functie bij het tuchtcollege geen salaris maar vacatiegelden en (onkosten)vergoedingen ontving, betekent niet dat appellant niet als ambtenaar in de zin van de AW dient te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/465
TAR 2015/31
AB 2015/147

Uitspraak

13/4912 AW

Datum uitspraak: 11 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
24 juli 2013, 13/1220 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.A. Duk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Duk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.L. de Graaf.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Partijen hebben hun standpunten schriftelijk nader toegelicht.

Op 30 oktober 2014 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Duk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.C. van Eck en mr. C.P.M. Vijver van de Pas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de met ingang van 1 december 1997 ingetrokken Medische Tuchtwet werd het nemen van beslissingen die de toepassing van artikel 1 tot en met 4 van die wet nodig maken opgedragen aan bijzondere Colleges. In artikel 9, eerste lid, van de Medische Tuchtwet was bepaald dat een College voor de beslissing in eerste aanleg (regionaal medisch tuchtcollege) bestaat uit vier geneeskundigen en één rechtsgeleerde, welke laatste voorzitter is. Op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Medische Tuchtwet werden de regionale medische tuchtcolleges bijgestaan door een secretaris en een of meer plaatsvervangende secretarissen, rechtsgeleerden. In artikel 15 van de Medische Tuchtwet, voor zover van belang, was bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de zetel, het ambtsgebied, de samenstelling, de bevoegdheid en de orde van zaken van de regionale medische tuchtcolleges worden geregeld en daarnaast alles wat voor de uitvoering van deze wet voorziening vordert. De betreffende algemene maatregel van bestuur was het Reglement medisch tuchtrecht en oplossing van geschillen (Reglement). Op grond van artikel 4 van het Reglement werden de (plaatsvervangende) voorzitters, (plaatsvervangende) leden en (plaatsvervangende) secretarissen van de regionale medische tuchtcolleges ten tijde van belang op voordracht van (onder meer) de minister bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Ingevolge artikel 15, vierde lid, van het Reglement ontvingen de secretarissen vacatiegelden en vergoedingen per ingediende klacht of aanhangig gemaakt geschil.

1.2.

Op 1 december 1997 is de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), voor zover die betrekking heeft op de tuchtrechtspraak, in werking getreden. Op grond van artikel 47, derde lid, van de Wet BIG wordt de tuchtrechtspraak in eerste aanleg uitgeoefend door regionale tuchtcolleges. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Wet BIG telt een regionaal tuchtcollege twee rechtsgeleerde leden van wie één tevens voorzitter is, alsmede drie leden beroepsgenoten. In het vijfde lid van dat artikel is bepaald dat een regionaal tuchtcollege een secretaris heeft en één of meer plaatsvervangende secretarissen, allen rechtsgeleerden. De (plaatsvervangend) voorzitter, de (plaatsvervangende) leden en de (plaatsvervangende) secretarissen worden op voordracht van (onder meer) de minister bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Wet BIG ontvangen de secretarissen en de plaatsvervangende secretarissen van de regionale tuchtcolleges gezondheidszorg vacatiegelden en (onkosten)vergoedingen, een en ander overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze ministeriële regeling is de Regeling vacatiegelden secretarissen (Regeling).

1.3.

Appellant is met ingang van 1 mei 1992 bij koninklijk besluit benoemd als [naam functie] van het regionale medisch tuchtcollege te Den Haag. In verband met de invoering van de Wet BIG is appellant bij koninklijk besluit van 19 november 1997 met ingang van 1 december 1997 benoemd als [naam functie] van het regionale tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Den Haag. Hierna wordt ten aanzien van beide colleges, kortheidshalve, van tuchtcollege gesproken. Appellant is bij het tuchtcollege werkzaam gebleven tot 1 juli 2004.

1.4.

Bij het tuchtcollege werden ten tijde hier van belang plaatsvervangende secretarissen ingezet voor de ondersteuning van de zittingen. De [naam functie] coördineerde de werkzaamheden van en betaling van vacatiegelden aan de plaatsvervangende secretarissen. De minister heeft naar aanleiding van een verzoek van K, die vanaf 1990 plaatsvervangend [naam functie] bij het tuchtcollege was, over de periode vanaf 15 december 1998 vacatiegelden nabetaald.

1.5.

Na de start op 17 april 2012 van een civiele procedure, waarbij K van appellant betaling heeft gevorderd op grond van te lage bedragen aan uitbetaalde vacatiegelden in de periode vóór 15 december 1998, heeft appellant bij brief van 10 mei 2012 de minister verzocht hem ter zake van de door K in gang gezette procedure schadeloos te stellen. Appellant stelt zich op het standpunt dat de vordering van K betrekking heeft op zijn handelen als [naam functie] van het tuchtcollege in de periode van 1 mei 1992 tot en met 14 december 1998 en dat hij in die functie bij koninklijk besluit was aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. In de brief heeft appellant tevens te kennen gegeven dat hij graag beschikbaar is voor nader overleg, ook over de wijze van het voeren van verweer in de civiele procedure van K tegen hem.

1.6.

Bij brief van 12 juni 2012 heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen.

1.7.

Bij vonnis van 21 november 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel recht, de vordering van K afgewezen. K heeft het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep, zoals appellant onweersproken heeft gesteld, niet doorgezet.

1.8.

Bij besluit van 7 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen de beslissing van 12 juni 2012, met overneming van het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb, niet-ontvankelijk verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant geen ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet (AW) en dat de schade die appellant stelt te hebben geleden niet is veroorzaakt door de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid door de minister, maar door een civiele vordering en dat daarom de brief van 12 juni 2012 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan dit oordeel ligt, samengevat en voor zover van belang, het volgende ten grondslag.
Beroep staat slechts open tegen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en tegen handelingen waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de AW als zodanig belanghebbende is.
Appellant was in zijn functie als [naam functie] bij het tuchtcollege geen ambtenaar in de zin van de AW. Weliswaar verrichtte hij bepaalde werkzaamheden in openbare dienst, maar hij was niet in openbare dienst werkzaam, zoals artikel 1, eerste lid, van de AW voorschrijft. Appellant kon immers geen aanspraak maken op rechtspositionele voorzieningen, voortvloeiende uit een aanstelling in openbare dienst en daarnaast was geen sprake van een gezagsverhouding tussen de minister en appellant. De adviescommissie heeft terecht vastgesteld dat de aanstelling van appellant als [naam functie] van het tuchtcollege een aanstelling tot het verrichten van enkele diensten is.
Voorts is de brief van 12 juni 2012 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
De minister heeft het bezwaar van appellant tegen de brief van 12 juni 2012 terecht

niet-ontvankelijk verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Partijen verschillen allereerst van opvatting over de vraag of appellant in zijn onder 1.3 genoemde functies als [naam functie] van het tuchtcollege ambtenaar was als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet 1929, vanaf 1 januari 1994 Ambtenarenwet (AW) genaamd.

3.2.

Ingevolge artikel 1 van de AW is ambtenaar in de zin van deze wet degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

3.3.

De Raad is met appellant, en anders dan de rechtbank en de minister, van oordeel dat appellant, gelet op zijn benoemingen bij koninklijk besluit en hetgeen onder 1.1 tot en met 1.4 over de plaats en taak van appellant als [naam functie] van het tuchtcollege is beschreven, in zijn functies moet worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van de AW (vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 11 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1875).
De stelling van de minister dat de benoemingen van appellant een aanstelling betreffen tot het verrichten van enkele diensten en daarmee geen aanstelling tot het werkzaam zijn in openbare dienst, treft geen doel. Het verrichten van enkele diensten sluit het werkzaam zijn in openbare dienst en het zijn van ambtenaar in de zin van de AW geenszins uit (vergelijk ook de uitspraak van 9 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6261). In dit verband kan ter illustratie onder meer worden gewezen op het op 1 april 1993 in werking getreden artikel 2, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), dat de toepassing van een aantal rechtspositionele bepalingen uitsluit voor ‘een ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld’.
Het feit dat appellant als [naam functie] van het tuchtcollege geen salaris maar vacatiegelden en (onkosten)vergoedingen ontving, zoals de minister verder heeft gesteld, betekent dus evenmin dat appellant niet als ambtenaar in de zin van de AW dient te worden aangemerkt.

3.4.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3155) is de beslissing van een bevoegd gezag op een verzoek van een ambtenaar om vergoeding of compensatie van beweerdelijk door de ambtenaar als zodanig geleden schade een appellabel besluit. Zo’n beslissing ligt hier voor. De minister was (mede) bevoegd tot het doen van voordrachten tot benoeming, schorsing en ontslag van de (plaatsvervangende) secretarissen van het tuchtcollege en droeg zorg voor de betaling van vacatiegelden en (onkosten) vergoedingen aan hen. Als bevoegd gezag heeft hij in zijn brief van 12 juni 2012 beslist op het verzoek van appellant als gewezen ambtenaar om vergoeding van kosten van rechtsbijstand gemaakt teneinde zich te verweren tegen een vordering van een voormalige collega met betrekking tot het handelen van appellant in zijn functie als [naam functie] van het tuchtcollege inzake de uitbetaling van vacatiegelden. Dat het daarbij om een civiele procedure ging, is dan niet van betekenis. De conclusie is dat de minister het bezwaar van appellant tegen de beslissing van 12 juni 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.5.

Uit 3.3 en 3.4 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet geen mogelijkheden voor een definitieve geschilbeslechting, nu het materiële geschilpunt daarvoor onvoldoende is uitgekristalliseerd. De minister zal daarom worden opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen, waarbij inhoudelijk zal moeten worden ingegaan op wat appellant tot nu toe tegen het besluit van 12 juni 2012 heeft aangevoerd.

4. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.461,- onderscheidenlijk € 40,- voor verleende rechtsbijstand en reiskosten in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 januari 2013;

- bepaalt dat de minister opnieuw beslist op het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2012

met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.501,-;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 399,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD