Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
13-5390 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Appellant heeft geen vervolging in de zin van de Wuv ondergaan. Geen ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van de vader, zodat verweerder geen aanleiding gezien appellant met de vervolgde gelijk te stellen. Voldoende medische onderbouwing. De medische beoordeling van de gevolgen moet voor iedere aanvrager afzonderlijk worden gemaakt. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5390 WUV

Datum uitspraak: 11 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 augustus 2013, kenmerk BZ01624236 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 30 oktober 2014. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door L. de Liever als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1938, heeft in december 2011 - voor zo ver hier van belang - verzocht om aanspraken op grond van de Wuv. In dat verband heeft hij naar voren gebracht dat zijn joodse vader in augustus 1942 door de Duitsers is opgepakt en via Westerbork op transport is gesteld naar Auschwitz. Daar is de vader van appellant op 29 september 1942 overleden.

1.2.

Bij besluit van 27 december 2012 is op de aanvraag afwijzend beslist. Overwogen is dat verweerder niet heeft kunnen vaststellen dat appellant vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Wel is het omkomen van de vader van appellant ten gevolge van vervolging voor verweerder aanleiding geweest te onderzoeken of appellant met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Omdat bij appellant geen ziekten of gebreken konden worden vastgesteld die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van de vader, heeft verweerder geen aanleiding gezien appellant met de vervolgde gelijk te stellen. Het tegen het besluit van 27 december 2012 ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.3.

In beroep is door appellant onder meer naar voren gebracht dat zijn broer onder identieke omstandigheden wel is gelijkgesteld met de vervolgde. Verder acht hij het onrechtvaardig dat binnen een gezin met vier broers aan twee broers wel aanspraken op grond van de Wuv zijn toegekend. Ook bekritiseert appellant de rapportage van het onderzoek dat op verzoek van verweerder door prof. dr. R.J. van den Bosch is verricht.

1.4.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Door appellant wordt niet betwist dat hij geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Uitsluitend is dan ook in geschil het door verweerder ingenomen standpunt dat de psychische klachten van appellant redelijkerwijs niet in verband staan met het overlijden van de vader van appellant.

2.2.

Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt berust in hoofdzaak op het in bezwaar uitgebrachte advies van de geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts. Dat advies is tot stand gekomen op basis van het onderzoek dat de psychiater prof. dr. R.J. van den Bosch op verzoek van verweerder bij appellant heeft verricht en waarvan hij op 17 juli 2013 en

12 augustus 2013 rapport heeft uitgebracht. Daarbij is ook betrokken de door appellant in de bezwaarfase overgelegde behandelovereenkomst van 8 mei 2013 van het Sinaï Centrum.

2.3.

Het bestreden besluit is op grond van deze medische advisering voldoende voorbereid en gemotiveerd. In het kader van de Wuv moet het bij een redelijkerwijs aan te nemen verband met het omkomen van - in dit geval - de vader gaan om de directe gevolgen van (alleen) het overlijden (van de vader) voor de psychische gesteldheid van appellant. Uit het rapport van Van den Bosch komt echter naar voren dat indirecte factoren, zoals de scheiding van de ouders, de verwaarlozing door de moeder en de vernederende, verwaarlozende en tekortschietende opvoedingscondities van de tehuizen, in hoofdzaak tot de psychische klachten hebben geleid. De in bezwaar overgelegde behandelovereenkomst van het Sinaï Centrum, kan gezien de daarin opgesomde traumatische - maar hier niet relevante - gebeurtenissen waaraan de bij appellant aanwezige psychische klachten worden toegeschreven, niet tot een ander oordeel leiden.

2.4.

Appellant heeft gewezen op onjuistheden die in het rapport van Van den Bosch staan. De Raad acht het weliswaar begrijpelijk dat de onjuistheden door appellant als hinderlijk wordt ervaren, maar de onjuistheden zijn alleen van feitelijke aard en niet van een zodanige ernst dat deze iets afdoen aan de conclusies van het onderzoek.

2.5.

Appellant heeft verder gesteld dat Van den Bosch bij zijn onderzoek zich teveel heeft laten leiden door verweerder, aangezien hij op aanwijzing van verweerder de DSM-IV systematiek en de beoordelingsrubrieken van de American Medical Association (AMA) heeft gehanteerd. De Raad volgt appellant hierin niet. Het hanteren van deze maatstaf c.q. systematiek heeft de Raad in zijn vaste rechtspraak al meermalen onderschreven. Hetgeen appellant in onderhavige zaak heeft aangevoerd geeft geen aanleiding nu anders te oordelen.

2.6.

Dat twee broers van appellant naar zijn zeggen met nagenoeg dezelfde psychische problemen ten gevolge van de oorlog wel rechten ontlenen aan de Wuv, neemt niet weg dat de manier waarop personen op traumatische oorlogsgebeurtenissen reageren per individu aanzienlijk kan verschillen. Daarom moet de medische beoordeling van de gevolgen ook voor iedere aanvrager afzonderlijk worden gemaakt. Dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld is in dit geval dan ook niet gebleken.

2.7.

Uit de overwegingen 2.2 tot en met 2.6 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen

HD