Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
13-329 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening indicatie voor huishoudelijke hulp. De Raad is met de medisch adviseur van het Drechtstedenbestuur, Van Duijkeren, van oordeel dat het standaard aantal uren huishoudelijke hulp niet voldoende kan worden geacht. Gelet op de zeer ernstige medische problematiek, is de door Van Duijkeren hieraan verbonden conclusie, te weten een uitbreiding van huishoudelijke hulp van slechts 30 minuten per week, echter onbegrijpelijk. Met een dergelijke minieme uitbreiding worden de beperkingen van appellante bij het in ontvangst nemen en opruimen van boodschappen in verband met een reëel besmettingsgevaar, alsmede het niet structureel in staat zijn om zelfstandig de warme maaltijd te bereiden, niet gecompenseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/10
JWWB 2015/25

Uitspraak

13/329 WMO

Datum uitspraak: 10 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 7 december 2012, 12/917 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen (Drechtstedenbestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Abalhaj hoger beroep ingesteld.

Het Drechtstedenbestuur heeft een verweerschrift en, op verzoek van de Raad, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Voor appellante is

mr. Abalhaj en A. Kortman verschenen. Het Drechtstedenbestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ondervindt beperkingen bij het voeren van een huishouden vanwege een ernstige botaandoening. Zij is permanent rolstoelgebonden en 24 uur per dag afhankelijk van extra zuurstof. Appellante ontving bij besluit van 17 februari 2009 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo met ingang van 12 mei 2009 huishoudelijke hulp categorie 2 (HH2) voor elf uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Bij besluit van 21 april 2010 werd deze toekenning verlengd tot 21 april 2015.

1.2.

Naar aanleiding van een herindicatieproject heeft het Drechtstedenbestuur de voor appellante benodigde huishoudelijke hulp opnieuw beoordeeld. Uit het onderzoek kwam naar voren dat geen tijd zou hoeven te worden berekend voor de bereiding van warme maaltijden en voor het doen van boodschappen. Verder kwam uit het onderzoek naar voren dat appellante zelf de regie over haar huishouden kan voeren, zodat huishoudelijke hulp

categorie 1 (HH1) volstaat.

1.3.

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het Drechtstedenbestuur aan appellante als volgt HH1 toegekend:

- van 1 september 2011 tot 1 november 2011 acht uur per week;

- van 1 november 2011 tot 1 januari 2012 zes uur per week;

- van 1 januari 2012 tot 1 januari 2016 vijf uur per week.

De periode tot 1 januari 2012 geldt als afbouwperiode.

1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 26 juli 2011 bezwaar gemaakt. Volgens haar heeft het Drechtstedenbestuur de toekenning ten onrechte herzien omdat aan haar tot 21 april 2015 HH2 voor elf uur per week was toegekend.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft A.P. van Duijkeren, sociaalgeneeskundige algemene gezondheidszorg bij de GGD (sociaalgeneeskundige), op verzoek van het Drechtstedenbestuur op 30 mei 2012 medisch advies uitgebracht. Van Duijkeren heeft het college geadviseerd om het standaard aantal uren met een kleine aanpassing van bijvoorbeeld een half uur uit te breiden. De HH1 is volgens hem wel voldoende, omdat appellante haar huishouden zelf goed kan organiseren.

1.6.

Bij besluit van 27 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Drechtstedenbestuur het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de omvang van de HH1 voor de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2016, gelet op het medisch advies gewijzigd in vijfeneenhalf uur per week. De toegekende HH1 geldt ter compensatie van de beperkingen bij het bereiden van de broodmaaltijd, licht en zwaar huishoudelijk werk en het doen van de was. Voor compensatie van de beperkingen bij het doen van boodschappen en het bereiden van de warme maaltijd ziet het Drechtstedenbestuur geen aanleiding omdat appellante gebruik kan maken van een boodschappenservice en magnetronmaaltijden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank verzet de rechtszekerheid zich niet tegen een herbeoordeling van de indicatie zoals het Drechtstedenbestuur heeft gedaan, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat het bestreden besluit is voorzien van een afbouwregeling. Ten aanzien van de omvang van de indicatie heeft de rechtbank overwogen dat het Drechtstedenbestuur het bestreden besluit heeft mogen nemen op grond van het advies van de sociaalgeneeskundige. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel niet concludent is. Ook ziet de rechtbank in wat appellante heeft aangevoerd, geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de sociaalgeneeskundige. Volgens de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het totaal van vijfeneenhalf uur aan huishoudelijke hulp per week in haar geval onjuist is.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond dat het Drechtstedenbestuur niet tot herindicatie had mogen overgaan, vormt een herhaling van wat appellante hierover in eerste aanleg heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Drechtstedenbestuur hiertoe wel bevoegd was. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid en verwijst daar naar.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het Drechtstedenbestuur de omvang van de behoefte aan huishoudelijke hulp niet juist heeft vastgesteld.


4.3.1. Artikel 4 van de Wmo, voor zover hier van belang, bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.

4.3.2.

Artikel 11 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden bepaalt dat de omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren per week, waarbij tot maximaal zestien uren kan worden toegekend. Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die het maximum van zestien uren overstijgt, worden additionele uren toegekend.

4.3.3.

De Richtlijn Drechtsteden (richtlijn) verstaat onder de werkzaamheden bij HH1:

  • -

    boodschappen doen (1.1);

  • -

    broodmaaltijden bereiden (1.2);

  • -

    warme maaltijd bereiden (1.3);

  • -

    licht huishoudelijk werk (1.4);

  • -

    zwaar huishoudelijk werk (1.5);

  • -

    de was doen (1.6);

  • -

    huishoudelijke spullen op orde houden (1.7).

4.4.

De aan appellante toegekende huishoudelijke hulp is bedoeld voor het (deels) bereiden van de broodmaaltijd (1.2), het verrichten van licht huishoudelijk werk (1.4), het verrichten van zwaar huishoudelijk werk (1.5) en het doen van de was (1.6).

4.5.

Volgens appellante kan zij, gelet op haar aandoening en beperkingen, ook niet in staat worden geacht tot de activiteiten “bereiden van de warme maaltijd (1.3)” en “doen van boodschappen (1.1)”.

4.6.

Het Drechtstedenbestuur heeft het medisch advies van Van Duijkeren van 30 mei 2012 aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. In dit advies heeft Van Duijkeren overwogen dat appellante een zeldzame erfelijke aandoening heeft van voornamelijk de botten en de huid. Hierdoor is zij permanent rolstoelgebonden en heeft zij continu extra zuurstof nodig. Appellante is niet in staat om de boodschappen zelf te halen. Daarnaast is appellante niet structureel, maar meestal wel, in staat om een kant-en-klaarmaaltijd op te warmen in de magnetron. Appellante leeft in een zeer precair evenwicht wat betreft haar longsituatie. Appellante moet geen infecties doormaken, zij moet haar zuurstof op tijd krijgen en zij moet niet in een stoffige woning wonen. Verzorgers die een longaandoening/klachten hebben, moeten geen hulp geven. Verder acht Van Duijkeren het aannemelijk dat appellante, gezien haar aandoening, geen aanvullende huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten of mee kan helpen. Appellante kan nauwelijks iets verrichten omdat het haar zeer snel kortademig zal maken. Ook moet appellante periodiek extra hulp vragen aan een ieder die in de woning op dat moment aanwezig is. Ten slotte overweegt Van Duijkeren dat appellante door haar aandoening een goed coördinerend samenspel van hulpverlening moet hebben, omdat er zeer snel zeer ernstige (zelfs dodelijke) situaties kunnen ontstaan. Ten slotte acht Van Duijkeren een standaard aantal uren huishoudelijke hulp niet geheel adequaat.

4.7.

De Raad is met Van Duijkeren van oordeel dat het standaard aantal uren huishoudelijke hulp niet voldoende kan worden geacht. Gelet op de zeer ernstige medische problematiek, acht de Raad de door Van Duijkeren hieraan verbonden conclusie, te weten een uitbreiding van huishoudelijke hulp van slechts 30 minuten per week, echter onbegrijpelijk. Met een dergelijke minieme uitbreiding worden de beperkingen van appellante bij het in ontvangst nemen en opruimen van boodschappen in verband met een reëel besmettingsgevaar, alsmede het niet structureel in staat zijn om zelfstandig de warme maaltijd te bereiden, niet gecompenseerd.

4.8.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep tegen het besluit van 27 juni 2012 gegrond en vernietigt dat besluit.

4.9.

De Raad acht het hier, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval alsmede het tijdsverloop, niet raadzaam om een tussenuitspraak te doen waarbij het bestuur de gelegenheid wordt geboden om het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft, te herstellen. De Raad stelt tevens vast dat het dossier voldoende documentatie bevat op grond waarvan het voor de Raad mogelijk is om vast te stellen voor welke huishoudelijke activiteiten appellante gecompenseerd moet worden en om de omvang hiervan, zelf voorziend, voor haar vast te stellen. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting verdient dat hier de voorkeur.

4.10.

De Raad komt tot de conclusie dat appellante naast hetgeen het Drechtstedenbestuur heeft toegekend aan huishoudelijke hulp, aangewezen was op 210 minuten per week voor het bereiden van de warme maaltijden en op 60 minuten per week voor boodschappen. Daarmee komt appellante naast hetgeen het Drechtstedenbestuur al heeft toegekend, een omvang van tien uur per week toe. Deze toekenning gaat in op 1 september 2011 en loopt tot

1 januari 2014, omdat appellante per die datum tot nu is opgenomen in een verpleeghuis.

5. De vordering van appellante tot schadevergoeding wordt niet toegewezen, omdat zij deze vordering niet heeft gespecificeerd of nader onderbouwd.

6. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling van € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juni 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;
- bepaalt dat aan appellante tien uur per week huishoudelijke hulp (HH1) wordt toegekend in

de periode van 1 september 2011 tot 1 januari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats

treedt van het besluit van 27 juni 2012;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt het Drechtstedenbestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.948,-;
- bepaalt dat het Drechtstedenbestuur aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 157,- voldoet.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) D. van Wijk

HD