Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
14-12-2014
Zaaknummer
13-4604 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4604 ZW

Datum uitspraak: 10 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 juli 2013, 13/2472 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.C. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. dr. J.H. Ermers.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was sinds 1982 werkzaam als timmerman onderhoud. In december 2010 is hij vanwege rugklachten voor dat werk uitgevallen. Op 20 juli 2011 is een einde aan zijn dienstverband gekomen vanwege faillissement van zijn werkgever. Daarop heeft het Uwv de re-integratie van appellant overgenomen. In het kader van de Wet verbetering poortwachter heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant aangewezen is op rugsparend werk en hoewel appellant nog niet volledig arbeidsgeschikt is, kan volgens die arts een start gemaakt worden met zijn

re-integratie onder begeleiding van een arbeidsdeskundige. Bij brief van 26 januari 2012 is een Bijstelling Plan van aanpak van gelijke datum aan appellant bekendgemaakt. Hierin is vermeld dat appellant wordt aangemeld voor een re-integratietraject met als doel begeleiding naar passend werk.

2. Op 15 mei 2012 heeft appellant een “Letter of Appointment” getekend van het bedrijf [naam bedrijf] gevestigd te Glasgow, Schotland. Met dit bedrijf is appellant met ingang van 1 juni 2012 en met een proeftijd van drie maanden een dienstverband aangegaan in de functie van [naam functie]. Vanwege bedrijfseconomische redenen heeft [naam bedrijf] het dienstverband met appellant met ingang van

31 juli 2012 beëindigd. Vanuit de situatie waarin appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft hij zich met ingang van 1 oktober 2012 met toegenomen rugklachten ziek gemeld. Op 25 januari 2013 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat het ziekteproces dermate is verbeterd dat appellant weer voldoende in staat moet worden geacht om zijn laatst verrichte werk van operator te hervatten. Bij besluit van 25 januari 2013 is de uitkering van appellant ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 28 januari 2013 beëindigd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van 13 februari 2013 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag gelegd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht als maatstaf arbeid voor appellant het laatst verrichte werk bij [naam bedrijf] heeft genomen. Op basis van de in het dossier aanwezige rapporten van de verzekeringsartsen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft bovendien geen reden gevonden om het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat naar aanleiding van de door appellant in beroep ingebrachte medische gegevens is gegeven, voor onjuist te houden. Dat appellant inmiddels weer een tweetal rugoperaties heeft ondergaan, kan volgens de rechtbank niet dienen ter ondersteuning van het standpunt van appellant nu deze operaties hebben plaatsgevonden na de datum in geding van 28 januari 2013.

4. In hoger beroep heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat hij per 1 augustus 2012 niet hersteld is gemeld en dat een hersteld melding in de loop van de wachttijd - anders dan voor eigen (eventueel aangepaste) arbeid - niet mogelijk is. Bovendien is het re-integratietraject volgens hem onzorgvuldig geweest. Volgens appellant is het beleid van het Uwv, waarbij verandering van de maatstaf arbeid tijdens de wachttijd mogelijk wordt gemaakt, in strijd met de wet, het wettelijke systeem en de rechtspraak. Hij heeft benadrukt dat hij niet voldoet aan de criteria die in dat beleid worden gesteld, omdat hij niet de intentie had om de band met zijn oude werk te verbreken, maar dat hem in het re-integratieproces door het Uwv is opgedragen om zich breder te oriënteren. Bovendien was geen sprake van een zelfstandig geheel van werkzaamheden, omdat het tijdelijke werkzaamheden in het kader van een leerproces waren. Gelet op het bepaalde in artikel 19, vijfde lid, van de ZW heeft appellant betwist dat in zijn geval sprake is van werkzaamheden bij soortgelijke werkgevers. Tot slot heeft appellant het standpunt ingenomen dat het Uwv inconsequent is in het benoemen van de eigen arbeid, is door hem betwist dat ‘de eigen arbeid’ bestaat en meent appellant dat in zijn geval sprake is van een ‘witte raven baan’.

5. Het verweer van het Uwv komt erop neer dat er geen grond bestaat om van de hoofdregel, dat uitgegaan moet worden van de laatstelijk verrichte arbeid, af te wijken. Het Uwv heeft erop gewezen dat daaraan niet in de weg staat dat appellant bij [naam bedrijf] nog een opleiding moest volgen, noch dat het dienstverband slechts twee maanden heeft geduurd. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad heeft het Uwv tot slot opgemerkt dat het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is geschreven met het doel om in situaties zoals die van appellant het begrip ‘zijn arbeid’ te verruimen en niet om daarop beperkingen aan te brengen.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:980) wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk.

6.2.

Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, welke bepaling bij Wet van

12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007, 553) is ingevoerd en met ingang van 1 januari 2008 in werking is getreden, is - voor zover hier van

belang - bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

6.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant laatstelijk voor de datum van zijn ziekmelding per 1 oktober 2012 werkzaamheden heeft verricht bij [naam bedrijf]. In de op 1 november 2012 door appellant ingevulde ‘vragenlijst ziekte en re-integratie’ heeft appellant te kennen gegeven dat [naam bedrijf] zijn laatste werkgever was. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of de werkzaamheden bij [naam bedrijf] moeten worden aangemerkt als arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW. Gelet op hetgeen in 6.1 is vermeld, moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Zoals de Raad eerder heeft uitgesproken kan daaraan niet afdoen dat appellant deze werkzaamheden gedurende slechts twee maanden heeft verricht en dat het dienstverband in de proeftijd is beëindigd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:1734). Hierbij wordt van belang geacht dat appellant de werkzaamheden naar tevredenheid van zijn werkgever heeft verricht en zijn ontslag is voortgekomen uit bedrijfseconomische redenen. Het standpunt van appellant, dat de hier bedoelde rechtspraak in zijn geval niet van toepassing is, omdat sprake is van een wachttijd van 104 weken vanwege zijn sinds december 2010 bestaande arbeidsongeschiktheid als timmerman, wordt niet gevolgd. Hiertoe wordt gewezen op de in punt 2 genoemde “Letter of Appointment” waarmee appellant een nieuw dienstverband is aangegaan en waarmee derhalve de wachttijd tot een einde is gekomen. Dat de wachttijd daarmee tot een einde is gekomen, vindt bevestiging in de brief van het Uwv van 25 juli 2012 waarin is vermeld dat appellant met ingang van 1 juni 2012 als hersteld moet worden beschouwd, omdat hij sinds die datum voltijds werkzaam is. Uit het voorgaande volgt eveneens dat het standpunt van appellant dat het beleid van het Uwv inzake de maatstafwijziging tijdens ZW-uitkering in strijd is met de wet, het wettelijke systeem en de rechtspraak, geen doel kan treffen.

6.4.

Appellant heeft eveneens naar voren gebracht dat het vijfde lid van artikel 19 van de ZW niet op hem van toepassing kan worden geacht, aangezien hij een speciaal op hem toegesneden functie bij [naam bedrijf] had en er dus geen sprake kan zijn van soortgelijke werkgevers. Uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wet van 12 december 2007 blijkt dat met het vijfde lid van artikel 19 van de ZW werd beoogd de activering van vangnetters (werknemers voor wie de ZW als vangnet fungeert, omdat zij geen werkgever meer hebben met een loondoorbetalingsplicht bij ziekte) te bevorderen door het ziektebegrip in artikel 19 van de ZW te verduidelijken en niet meer uit te gaan van een strikte toepassing van “geschiktheid voor laatst verrichte arbeid”. De wijziging richt zich alleen op vangnetters zonder werkgever. Kern van de wijziging is dat, wanneer het dienstverband met de werkgever niet meer bestaat, het Uwv bij de beoordeling of iemand ziek is geen rekening meer houdt met de geschiktheid om bijzondere aspecten van de laatstelijk verrichte dienstbetrekking uit te oefenen. Door deze wijziging wordt een al te gemakkelijk beroep op de ZW voorkomen, in evidente gevallen waarin betrokkene nog wel geschikt is de werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn functie uit te oefenen (TK 2006-2007, 30 909, nr. 3, p. 4). Het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is dus geschreven met het doel om voor vangnetters zonder werkgever het begrip ‘zijn arbeid’ te verruimen door, in het geval sprake is van bijzondere aspecten van het werk welke een werkhervatting in de weg staan, deze buiten beschouwing te laten. Gelet op dit doel dienen alleen bijzondere verzwarende aspecten van het laatst verrichte werk buiten beschouwing gelaten te worden. Bijzondere verlichtende aspecten dienen niet buiten beschouwing gelaten te worden. Blijkens de stukken hebben de werkzaamheden van appellant eruit bestaan dat hij bedrijven bezocht om met speciale apparatuur de daar aanwezige transformatoren te testen. De werkzaamheden waren niet gericht op verkoop, maar op het testen van de transformatoren en het verhelpen van storingen. In de in 6.3 genoemde ‘vragenlijst ziekte en re-integratie’ heeft appellant te kennen gegeven dat de belangrijkste taken die hij in zijn laatste functie heeft verricht het monitoren van meters was en het aanspreken van mensen. Hij werkte zowel in de open lucht als binnen in een lawaaierige omgeving vanwege de machines. Van bijzondere verlichtende aspecten die niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten, is niet gebleken. Aangezien appellant dergelijke aspecten ook niet heeft geconcretiseerd, kan zijn standpunt geen doel treffen.

6.5.

Tot slot wordt met de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier van appellant bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en appellant aansluitend op het spreekuur onderzocht. Bovendien heeft deze arts de door appellant ingebrachte medische informatie bij zijn beoordeling betrokken en overleg gevoerd met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In zijn rapport van 13 februari 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende en op inzichtelijke wijze onderbouwd geen noodzaak te zien om van het oordeel van de primaire verzekeringsarts af te wijken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep was appellant op 28 januari 2013 niet arbeidsongeschikt te achten voor de maatgevende arbeid.

7. Uit hetgeen in 6.1 tot en met 6.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en B.M. van Dun en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) B. Fotchind

MK