Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
14-599 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:10010, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Volledig werkzaam als zelfstandige zonder daarvan melding te maken aan het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/599 WW

Datum uitspraak: 10 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 december 2013, 13/3538 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft W.D.F. Schildt hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.


OVERWEGINGEN


1.1. Voor een weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak.

1.2.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 2 maart 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 38 uur per week.

1.3.

Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant ingetrokken omdat appellant met ingang van 2 maart 2009 volledig werkzaam zou zijn geweest als zelfstandige zonder daarvan melding te hebben gemaakt aan het Uwv. De aan appellant volgens het Uwv onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 2 maart 2009 tot en met 17 oktober 2010 tot een bedrag van € 31.925,40 heeft het Uwv van appellant teruggevorderd.


1.4. Bij besluit van 9 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 januari 2011 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant vanaf de eerste week van maart 2009 als zelfstandige heeft gewerkt. De verklaring van appellant op

6 oktober 2010 tegenover een inspecteur van het Uwv, tezamen met de inschrijving van zijn restaurant bij de Kamer van Koophandel op 20 februari 2009, bieden daarvoor voldoende grondslag. Gelet hierop had appellant met ingang van 2 maart 2009 geen recht op een

WW-uitkering en staat vast dat de uitkering over de periode van 2 maart 2009 tot en met

17 oktober 2010 ten onrechte is verleend. De omstandigheid dat dit mede is gebeurd doordat het Uwv ten onrechte niets heeft gedaan met de telefonische melding van appellant op

21 september 2009, maakt dit niet anders. Artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW staat er niet aan in de weg dat het Uwv bevoegd is om eventuele fouten, zo daarvan in dit geval al sprake is, te herstellen.

2.2.

Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij een te hoog bedrag aan WW-uitkering ontving, aangezien de door hem verrichte

werkzaamheden, ondanks zijn telefonische melding op 21 september 2009, daarin niet waren verdisconteerd.

2.3.

Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank de WW-uitkering terecht met terugwerkende kracht ingetrokken. Vervolgens is het Uwv gehouden om de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. De stelling van appellant dat hij zijn verplichtingen is nagekomen en dat het ten onrechte verlenen van uitkering dus uitsluitend is toe te rekenen aan het Uwv, kan volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als dringende reden om van intrekking of terugvordering af te zien.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv niet of in ieder geval onvoldoende gegevens heeft geregistreerd tot 30 augustus 2010. Appellant “stond niet ingeschreven en had geen werkcoach”. Volgens appellant is het dossier van het Uwv niet compleet en ontbreken de stukken waaruit blijkt dat hij Uwv heeft geïnformeerd. Appellant heeft vanaf maart 2009 alle informatie over het opstarten van zijn eigen bedrijf gedeeld met het Uwv. Appellant is op voorlichtingsbijeenkomsten van het Uwv geweest en heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden om als zelfstandige te beginnen met behoud van een WW-uitkering. Het Uwv heeft niet adequaat op deze informatie gereageerd door de uitkering niet aan te passen of te stoppen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

4.2.

Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 6 van de aangevallen uitspraak.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de stelling van appellant dat de gedingstukken niet compleet zijn, geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de compleetheid van het dossier. Appellant heeft op geen enkele wijze aangetoond dat er stukken ontbreken, bijvoorbeeld door het overleggen van kopieën van de volgens hem door hem ingebrachte ontbrekende stukken. Uit de stukken blijkt niet dat appellant het Uwv heeft geïnformeerd over zijn werkzaamheden als zelfstandige vanaf maart 2009. Wel blijkt uit de stukken dat appellant tijdens een gesprek op 21 september 2009 met een medewerker van het klantencontactcentrum van het Uwv heeft gemeld dat hij betaalde werkzaamheden verrichtte. Het feit dat het Uwv niets heeft gedaan met deze telefonische melding, brengt niet mee dat het Uwv de WW-uitkering niet mocht intrekken en terugvorderen.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is geen ruimte voor de gevraagde veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M.M. van der Kade als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) V. van Rij

RB