Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
14-788 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:10245, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen openheid van zaken te geven over hun financiële situatie. Zij hebben geen duidelijkheid verschaft over hun rol bij de aan- en verkoop van onroerend goed en de verhuur daarvan. Daarnaast hebben appellanten niet gemeld aan het college dat zij gemachtigd waren voor diverse bankrekeningen en dat zij beschikten dan wel redelijkerwijs konden beschikken over de tegoeden op die bankrekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/788 WWB

Datum uitspraak: 9 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 december 2013, 13/1918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld. Namens appellanten heeft mr. G.P. Buise, advocaat, de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 13/4300 WWB, 13/4301 WWB, 13/4302 WWB en 13/4303 WWB plaatsgehad op 28 oktober 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Buise. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.M.A. Desain en S.L. Gahrmann. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 1 januari 1993 bijstand, aanvankelijk op grond van de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW) en laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

In de rapportage naar aanleiding van de RWW-aanvraag van appellanten van

21 december 1992 is vermeld dat “toch wel wat twijfels [zijn] gerezen omtrent deze zaak”. In dit verband wordt het volgende opgemerkt. [Naam A.] (A) heeft appellant diverse malen geholpen, onder meer door de woning aan de [Adres A.] te [woonplaats] aan hem te verhuren voor fl. 650,- per maand. Dit is een erg laag bedrag voor een dergelijke woning. Appellanten hebben verklaard zo weinig huur te betalen, omdat A bij hun logeert als hij in Nederland verblijft. Bij de Sociale Dienst Rotterdam loopt een onderzoek naar een mogelijke steunfraudezaak in verband met een naaiatelier van appellant. Nu de zaak “toch wat vreemde kanten heeft”, is het wellicht verstandig om de sociale recherche, in samenwerking met de sociale recherche te Rotterdam, hiernaar een onderzoek te laten instellen. Uit informatie van de afdeling onroerend goedbelasting blijkt dat de hiervoor bedoelde woning inderdaad eigendom is van A, maar dat zeker vanaf 1 januari 1992 de zaken worden behartigd door appellante.

1.3.

Op 11 februari 2010 heeft de gemeente Lansingerland een anonieme melding ontvangen, inhoudende onder meer dat appellanten regelmatig met vakantie gaan, in een Mercedes rijden die op naam van een familielid staat, erg te koop lopen met hun geld en huizen verhuren in Nederland. Naar aanleiding van deze melding heeft [naam H. 1], Coach Hoogwaardig Handhaven van de gemeente Lansingerland, een onderzoek verricht naar, kort gezegd, de financiële situatie van appellanten. In dat kader heeft [H.] onder meer dossieronderzoek verricht, diverse gesprekken gevoerd met appellanten, bij diverse instanties, waaronder de Dienst Wegverkeer (RDW), informatie opgevraagd en bankafschriften opgevraagd van onder meer de bankrekening van A - die in september 2001 is overleden - bij de ABN-AMRO met nummer [rekeningnummer 1] (ABN-rekening), waarvoor appellanten gemachtigd waren. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een ‘rapportage onderzoek fraude’ van

14 januari 2011. In dit rapport is geconcludeerd dat appellanten via de rekening van A regelmatig uitgaven deden die een directe relatie hadden met hun eigen financiële situatie en die van hun dochter [Naam S.](S).

1.4.1.

Het onderzoek naar de financiële situatie van appellanten is voortgezet door een andere medewerker Hoogwaardig Handhaven van de gemeente Lansingerland, [naam M.] (handhavingsmedewerker). De handhavingsmedewerker heeft zijn onderzoek in eerste instantie toegespitst op de aanschaf in juni 2010 van een Mercedes-Benz C200 (Mercedes), waarvan het kenteken [kenteken A.] is geregistreerd op naam van S. Deze auto bleek te zijn betaald via spaarrekening [rekeningnummer 2] van de Rabobank (Rabobankrekening), die op naam staat van [naam ZK](ZK). De - voorlopige - bevindingen van de handhavingsmedewerker zijn neergelegd in een rapport van 29 juli 2011.

1.4.2.

Onder meer naar aanleiding van deze onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 12 augustus 2011 het recht op bijstand van appellanten met ingang van 1 augustus 2011 opgeschort. Op 15 september 2011 heeft de handhavingsmedewerker een gesprek gevoerd met appellanten. Tijdens dat gesprek hebben appellanten onder meer verklaard dat zij behoudens de ABN-rekening en de Rabobankrekening voor geen enkele andere bankrekening waren gemachtigd. Appellanten hebben vervolgens, desverzocht, de volmacht voor de Rabobankrekening overgelegd en bankafschriften van deze bankrekening. Omdat de bankafschriften vanaf 10 juni 2010 ontbraken, heeft het college bij besluit van 21 oktober 2010 de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 augustus 2011 ingetrokken. Hangende het tegen dit besluit gemaakte bezwaar hebben appellanten de ontbrekende bankafschriften van de Rabobankrekening overgelegd en heeft het college een (deel)rapportage van de handhavingsmedewerker van 18 november 2011 met bijlagen overgelegd.

1.4.3.

Bij besluit van 8 mei 2012, voor zover van belang, heeft het college het tegen het besluit van 21 oktober 2011 gemaakte bezwaar, onder wijziging van de wettelijke grondslag en de motivering, ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het college besloten de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 1 augustus 2011 in te trekken. Het tegen het besluit van 8 mei 2012 gemaakte beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 27 juni 2013 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij zijn uitspraak van heden, nummers 13/4300 WWB en 13/4301 WWB, deze uitspraak voor zover aangevochten vernietigd, het besluit van 8 mei 2012 eveneens vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

1.5.

Tijdens de bezwaarprocedure tegen het besluit van 21 oktober 2010 is aan het licht gekomen dat appellanten niet alleen gemachtigd waren voor de ABN-rekening en de Rabobankrekening, maar ook voor een groot aantal andere bankrekeningen gemachtigd zijn (geweest). Dit betroffen de volgende bankrekeningnummers: [rekeningnummer 3] op naam van

[naam B. 1], [rekeningnummer 4] op naam van ZK, [rekeningnummer 5]op naam van [naam H. 2], [rekeningnummer 6] op naam van [naam B. 2] [rekeningnummer 8] op naam van [naam H. 2]

(rekening van H) en [rekeningnummer 9] op naam van [naam G.], de moeder van appellante. Naar aanleiding daarvan heeft de handhavingsmedewerker bij de betreffende banken afschriften van alle bankrekeningen gevorderd. Daarnaast heeft de handhavingsmedewerker onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van appellanten bij de aan- en verkoop van onroerend goed en de verhuur daarvan. Daaruit is onder meer het volgende naar voren gekomen. Volgens een op 20 april 1993 opgemaakte notariële akte hebben appellante, handelend voor zich in privé en als schriftelijk gevolmachtigde van A, en appellant een lening afgesloten van fl. 80.000,-, waarbij de aflossing is begroot op fl. 1.666,67 per maand. Met deze lening is het pand [adres te R](pand) voor een bedrag van

fl. 97.500,- aangekocht. In dit pand werden kamers verhuurd. Volgens een door de dienst Stedebouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam op 15 februari 2002 opgemaakte ‘lonendheidsberekening’ bedroeg de totale huuropbrengst € 36.000,- per jaar. Appellanten hebben als schriftelijk gevolmachtigden van de weduwe van A en haar kinderen het pand in december 2004 verkocht voor een bedrag van € 240.000,-. De handhavingsmedewerker heeft alle bevindingen van het in juni 2010 gestarte onderzoek naar de financiële situatie van appellanten neergelegd in een (eind)rapport van 22 februari 2012.

1.6.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

5 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 februari 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten over de periode van 1 juli 1997 tot 1 augustus 2011 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 234.563,60. Aan de besluitvorming ligt, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen openheid van zaken te geven over hun financiële situatie. Zo hebben zij geen duidelijkheid verschaft over hun rol bij de aan- en verkoop van onroerend goed en de verhuur daarvan. Daarnaast hebben appellanten niet gemeld aan het college dat zij gemachtigd waren voor diverse bankrekeningen en dat zij beschikten dan wel redelijkerwijs konden beschikken over de tegoeden op die bankrekeningen. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij in de periode in geding geen inkomen hebben genoten naast hun bijstandsuitkering en in die periode ook geen vermogen hebben gehad waarvan zij in redelijkheid hadden moeten menen dat het van invloed zou kunnen zijn op het recht op bijstand. Zij hebben dan ook niet de inlichtingenverplichting geschonden.

3.2.

Daarnaast hebben appellanten aangevoerd dat toepassing moet worden gegeven aan de zogeheten zesmaandenjurisprudentie vanaf de datum waarop zij een RWW-uitkering ontvingen. Appellanten wijzen er daarbij op dat, gelet op de inhoud van het in 1.2 genoemde rapport van 5 januari 1993, op dat moment al sprake was van een signaal van appellanten waaruit kon worden afgeleid dat teveel of ten onrechte bijstand werd verstrekt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de in 1.5 vermelde gegevens staat vast dat appellanten, tezamen met A, in april 1993 een lening hebben afgesloten waarmee het pand is aangekocht, dat met dat pand huurinkomsten zijn verworven en dat het pand uiteindelijk met een forse winst is verkocht. Ter zitting hebben appellanten verklaard dat het onbewust zo is gegaan dat in de notariële akte de lening - mede - op hun namen is gesteld. Volgens appellanten waren zij daarvan onwetend en hebben zij als gemachtigden van A de lening afgesloten. Tijdens het verhoor op 15 mei 2012 in het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft appellant echter verklaard dat A naar Nederland kwam en toen aan hem en zijn vrouw een machtiging heeft gegeven dat zij dat pand ([adres te R]) mochten kopen en daarvoor een lening mochten afsluiten. Vaststaat dat volgens de notariële akte van 20 april 1993 appellanten tezamen met A een bedrag van fl. 80.000,- hebben geleend. Aangezien met dat bedrag het pand is aangekocht, moeten appellanten geacht worden economisch eigenaren van het pand te zijn geweest. Gelet hierop zou een deel van de huurinkomsten en een deel van de winst uit de verkoop van het pand dan aan appellanten moeten worden toegerekend. Appellanten hebben geen enkel inzicht gegeven in de wijze waarop één en ander was geregeld met A, die overigens al in september 2001 was overleden. Door geen duidelijkheid te verschaffen over hun rol bij de aan- en verkoop van onroerend goed en de verhuur daarvan, hebben appellanten op dit punt de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.2.

Vaststaat dat appellanten gedurende de gehele periode in geding gemachtigd waren voor de Rabobankrekening, voor de ABN-rekening en voor de rekening van H. Voor de overige bankrekeningen waren appellanten niet gedurende de gehele in geding zijnde periode gemachtigd.

4.3.

De vaste rechtspraak van de Raad, inhoudende dat het feit dat een bankrekening op naam van een aanvrager of ontvanger van bijstand een tegoed bevat de vooronderstelling rechtvaardigt dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken en dat het in een dergelijke situatie aan de betrokkene is om aan te tonen dat het tegendeel het geval is, is in dit geval niet (rechtstreeks) van toepassing. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 15 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0546.

4.4.1.

De rekeninghouders van de bankrekeningen waarvoor appellanten waren gemachtigd, wonen volgens appellanten allen in Suriname. De bankafschriften van al deze bankrekeningen werden in de periode in geding verzonden naar het woonadres van appellanten, met dien verstande dat vanaf 2010/2011 de afschriften van een aantal bankrekeningen werden verzonden naar het woonadres van S. Uit de bankafschriften blijkt dat op de bankrekeningen een groot aantal transacties - in Nederland - hebben plaatsgevonden met bedragen tot tienduizenden guldens/euro’s. Het gaat daarbij om kasstortingen, opnames per kas en overboekingen van de ene bankrekening waarvoor appellanten gemachtigd waren naar de andere bankrekening waarvoor zij gemachtigd waren.

4.4.2.

Ten aanzien van de Rabobankrekening heeft de Raad in zijn uitspraak van heden, nummers 13/4300 WWB en 13/4301 WWB, het volgende overwogen: “Gelet op de strekking van de bankvolmacht van 27 oktober 1993, de transacties in de periode van 1993 tot en met 2006 en - in het bijzonder - de transactie ten behoeve van de aankoop van de Mercedes staat vast dat appellant feitelijk heeft beschikt over de tegoeden op de Rabobankrekening.”

4.4.3.

Vaststaat dat met de ABN-rekening, die ondanks het overlijden van A in september 2001 in 2011 nog steeds op naam van A stond, regelmatig pinbetalingen zijn gedaan in winkels in [woonplaats], de woonplaats van appellanten, en pinopnames hebben plaatsgevonden bij een pinautomaat in de directe nabijheid van het woonadres van appellanten. Daarnaast zijn vanaf de ABN-rekening (premie)betalingen gedaan ten behoeve van onder meer de inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering van appellanten, de autoverzekering voor de op naam van S staande Mercedes en ten behoeve van de thuiszorg voor de moeder van appellante. Appellanten hebben hiermee onmiskenbaar blijk gegeven van hun handelings- en beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van de tegoeden op de

ABN-rekening. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat, naar zij stellen, alle pintransacties zijn verricht door de weduwe van A of haar kinderen als zij in Nederland waren en dat de overige transacties hebben plaatsgevonden in opdracht van de weduwe van A. Gelet hierop moet als vaststaand worden aangenomen dat appellanten feitelijk hebben beschikt over de tegoeden op de ABN-rekening.

4.4.4.

Deze conclusie kan ook worden getrokken voor de rekening van H. De bankpas van deze rekening met nummer 653 staat namelijk op naam van appellant en uit de bankafschriften van de rekening van H blijkt dat met die bankpas zowel bedragen per kas werden opgenomen, variërend van € 50,- tot € 1.500,-, als bedragen per kas werden gestort, variërend van € 1.000,- tot € 6.000,-.

4.4.5.

Appellanten hebben gesteld dat alle transacties zijn verricht in opdracht van de rekeninghouders, dan wel door de rekeninghouders zelf op momenten dat zij in Nederland waren. Aangezien appellanten voor deze stelling nog niet het begin van bewijs hebben geleverd, moet ervan uit worden gegaan dat zij zelf alle transacties op de

gemachtigde-rekeningen - opnames, stortingen, overboekingen - voor hun rekening hebben genomen. Dit betekent dat ook voor de overige bankrekeningen waarvoor appellanten in de periode in geding gemachtigd waren geldt, dat appellanten (redelijkerwijs) konden beschikken over de daarop staande tegoeden.

4.5.

Vaststaat dat appellanten niet aan het college hebben gemeld dat zij gemachtigd waren voor een groot aantal bankrekeningen en evenmin dat zij feitelijk beschikten of konden beschikken over de tegoeden op die bankrekeningen. Daarbij is van belang dat de saldi op de gemachtigde-rekeningen zijn te beschouwen als vermogensbestanddelen waarover appellanten in de periode in geding beschikten of redelijkerwijs konden beschikken en dat de van de bankrekeningen opgenomen bedragen moeten worden aangemerkt als inkomen van appellanten. Vergelijk voor dit laatste de uitspraak van de Raad van 15 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7217.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de in 3.1 verwoorde beroepsgrond niet slaagt.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5014) is de bevoegdheid van het bijstandverlenend orgaan om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen in tijd beperkt indien dit orgaan niet adequaat reageert op signalen waaruit het kan afleiden dat het te veel of ten onrechte uitkering heeft verstrekt. Een signaal is in dit verband relevante informatie van de betrokkene waaruit het bijstandverlenend orgaan concreet kan afleiden dat sprake is van een fout op grond waarvan het actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bijstandverlenend orgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan het dan geen gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.8.

Het beroep van appellanten op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie gaat niet op, reeds omdat voor toepassing daarvan in WWB-zaken in beginsel geen plaats is indien, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie. Voor zover appellanten hebben willen betogen dat in hun geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, slaagt dit betoog niet, aangezien van een signaal als bedoeld in 4.7 geen sprake is geweest. De inhoud van het in 1.2 kort weergegeven rapport van 5 januari 1993 kan in ieder geval niet als een zodanig signaal worden beschouwd.

4.9.

Uit 4.7 en 4.8 volgt dat de in 3.2 verwoorde beroepsgrond evenmin slaagt.

4.10.

Uit 4.6 en 4.9 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD