Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
13-4000 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:4490, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Onroerend goed in Kaapverdië. Appellante heeft niet de gevraagde inlichtingen verstrekt en ook niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet de beschikking over deze gegevens kon krijgen. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4000 WWB

Datum uitspraak: 9 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 juni 2013, 12/5282 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 7 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4023 in het geding tussen partijen. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

In evengenoemde uitspraak heeft de Raad, op grond van hetgeen onder

4.4

is overwogen, geoordeeld dat twijfels over de vermogenspositie van appellante gerechtvaardigd zijn waardoor niet zonder meer kan worden aangenomen dat het vermogen van appellante de toepasselijke vermogensgrens niet overschrijdt. Door niet de gevraagde gegevens omtrent vermeend bezit van onroerend goed in Kaapverdië te verstrekken en evenmin aannemelijk te maken dat zij over deze gegevens redelijkerwijs niet de beschikking kan krijgen, heeft het college het recht op bijstand van appellante ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ten tijde in geding niet kunnen vaststellen, zodat de aanvraag om bijstand van 20 oktober 2009 terecht is afgewezen.

1.2.

De door appellante op 16 maart 2010 en op 2 januari 2012 ingediende aanvragen om bijstand op grond van de WWB zijn bij besluiten van 27 april 2010 respectievelijk 15 februari 2012 afgewezen, omdat geen sprake was van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3.

Op 10 augustus 2012 heeft appellante opnieuw verzocht om bijstand op grond van de WWB. Bij besluit van 31 augustus 2012, voor zover hier van belang, heeft het college deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb.

1.4.

Bij besluit van 21 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 2012 onder wijziging van de grondslag ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college overwogen dat de aanvraag ziet op een andere periode dan de (voorgaande) aanvraag van 2 januari 2012, zodat geen sprake is van een herhaalde aanvraag. Desondanks wordt de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, omdat appellante nog steeds niet de verlangde gegevens en bescheiden heeft overgelegd met betrekking tot het (mogelijke) bezit van onroerend goed in Kaapverdië. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij tevergeefs pogingen heeft ondernomen om de gevraagde gegevens en bescheiden boven water te krijgen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen - samengevat en voorzover hier van belang - dat appellante niet wordt gevolgd in haar betoog dat zij thans al het mogelijke heeft gedaan om de gevraagde gegevens en bescheiden te verstrekken. De overgelegde handgeschreven brieven acht de rechtbank, mede onder verwijzing naar wat de Raad over kennelijk vergelijkbare brieven heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 7 augustus 2012, onvoldoende: adressen van de aangeschrevenen ontbreken, evenals bewijzen van verzending. Het eerst ter zitting bij de rechtbank overgelegde uittreksel uit het kadaster acht de rechtbank evenmin voldoende omdat het - wat er verder van zij - onvoldoende antwoord biedt op de door het college gestelde vragen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij volhard in haar standpunt dat zij niet over onroerend goed in Kaapverdië beschikt. Zij heeft gesteld met het bewijs uit het kadaster wel degelijk duidelijk te hebben gemaakt dat zij niet over onroerende goederen in Kaapverdië beschikt. De brieven die appellante heeft geschreven naar instanties in Kaapverdië kunnen daarbij als aanvullend bewijs worden beschouwd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 10 augustus 2012 tot en met 31 augustus 2012.

4.2.

De gronden die appellante heeft aangevoerd zijn een herhaling van hetgeen zij in beroep heeft gesteld. De rechtbank heeft zich daarover bij de aangevallen uitspraak uitgelaten en op goede gronden gemotiveerd waarom het beroep niet slaagt. De Raad neemt de overwegingen van de rechtbank over en voegt daaraan voor wat betreft het kadastraal uittreksel nog het volgende toe.

4.3.

Appellante beroept zich met name op het door haar overgelegde uittreksel uit het kadaster in Kaapverdië omdat het zou aantonen dat zij niet over onroerend goed in Kaapverdië beschikt. De Raad volgt appellante hierin niet. Naar appellante ter zitting heeft toegelicht is dit uittreksel op 4 juni 2013 afgegeven door de gemeente Praia, een deelgemeente van [naam V.]waar het onroerend goed zich zou bevinden. Gelet evenwel op de datum van afgifte kan hieraan geen betekenis toekomen reeds op de grond dat het uittreksel is afgegeven buiten de in dit geding te beoordelen periode en geen informatie bevat over het verleden, waardoor onduidelijk blijft hoe de situatie was ten tijde hier van belang.

4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante, door niet de gevraagde inlichtingen te verstrekken en ook niet aannemelijk te maken dat zij redelijkerwijs niet de beschikking over deze gegevens kon krijgen, niet aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting voldaan. Als gevolg daarvan heeft het college het recht op bijstand van appellante ten tijde in geding niet kunnen vaststellen, zodat de aanvraag om bijstand terecht is afgewezen.

4.5.

Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C. Moustaïne

HD