Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
13-2737 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering (bijzondere) bijstand. Afwijzing nieuwe aanvraag. Schending inlichtingenverplichting. Overschrijding vermogensgrens. Appellant bezit woning een in Suriname, waarover hij redelijkerwijs kon beschikken. Geen sprake van een schuld aan een familielid, nu deze schuld niet met concrete en verifieerbare gegevens is onderbouwd. In afwachting van verkoop is op goede gronden leenbijstand toegekend.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/41

Uitspraak

13/2737 WWB, 14/1672 WWB

Datum uitspraak: 9 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 11 april 2013, 12/1131 (aangevallen uitspraak 1) en van 7 februari 2014, 13/786 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Namens appellant is verschenen mr. M. Arnold, als waarnemer voor mr. Dieters. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 juli 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een tip inhoudende, voor zover hier van belang, dat appellant een woning bezit in Suriname heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De sociale recherche heeft het Internationaal Bureau Fraude informatie van de Directie Handhaving van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) verzocht een onderzoek te doen naar het vermogen van appellant. In dat kader heeft de Attaché voor Sociale Zaken van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Paramaribo een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een onderzoeksverslag van 27 februari 2012. Hieruit blijkt dat informatie is ingewonnen bij het Hypotheekkantoor te Paramaribo. Het Hypotheekkantoor heeft verklaard dat appellant een perceel op zijn naam heeft staan. Op 16 februari 2012 heeft een beëdigd taxateur in Suriname de waarde van dit perceel met daarop een woonhuis, gelegen aan de [adres] te Kwatta, bepaald op € 30.000,-.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

1 augustus 2012 de bijstand vanaf 16 februari 2012 in te trekken en de over de periode van

16 februari 2012 tot 1 juli 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.554,41 van appellant terug te vorderen. Voorts heeft het college bij besluit van 3 augustus 2012 het besluit van 5 juni 2012, waarbij aan appellant bijzondere bijstand is toegekend voor de kosten van een plaatje/gedeeltelijk kunstgebit, ingetrokken en een bedrag van € 287,50 teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij had geen recht op bijstand omdat hij op

16 februari 2012 beschikte over vermogen boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vrij vermogen.

1.4.

Bij besluit van 30 oktober 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 1 en 3 augustus 2012 ongegrond verklaard.

1.5.

Op 12 november 2012 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand gedaan. Bij besluit van 28 december 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van

5 juni 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

28 december 2012 gedeeltelijk gegrond verklaard en aan appellant met ingang van

19 april 2013 bijstand in de vorm van een lening toegekend. Het college heeft met ingang van 10 juli 2013 aan appellant bijstand om niet toegekend.

w2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

13/2737 WWB Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 16 februari 2012 tot en met 3 augustus 2012.

4.2.

Vaststaat dat een perceel grond met opstal in Paramaribo (Suriname), gelegen in het district [naam district], aan de [adres], in de te beoordelen periode in een officieel eigendomsregister op naam van appellant stond geregistreerd.

4.3.

Vaststaat tevens dat appellant het college hiervan niet bij aanvang van de bijstandsverlening, of op een later tijdstip, uit eigen beweging in kennis heeft gesteld. Dat een onroerende zaak op naam van appellant staat, is onmiskenbaar van belang voor het recht op bijstand. Appellant had dit redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. Door dit verzuim heeft appellant gehandeld in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8107) rechtvaardigt het feit dat een onroerende zaak in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staat geregistreerd de vooronderstelling dat die zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daarin niet geslaagd.

4.5.

Uit de enkele omstandigheid dat de ex-vriendin van appellant samen met haar dochter en twee kleinkinderen in de woning verblijft, vloeit niet zonder meer voort dat appellant ten tijde in geschil niet (redelijkerwijs) over de woning kon beschikken. Van betekenis is in dit verband dat appellant ten tijde in geding geen stappen had ondernomen om het in de woning gebonden vermogen te gelde te maken. De vordering op appellant van zijn ex-vriendin om het onroerend goed aan haar over te dragen, subsidiair om € 15.000,- te betalen en om appellant te verbieden om het onroerend goed te doen ontruimen, dateert van na de periode in geding. Bovendien staat de vordering ook thans niet in rechte vast. Appellant kon dan ook redelijkerwijs beschikken over zijn woning in Suriname en daarom mocht het college de woning tot het vermogen van appellant rekenen.

4.6.

De waarde van de woning is vastgesteld door een beëdigd taxateur en vastgelegd in het taxatierapport van 23 februari 2012. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de door de taxateur vastgestelde waarde van de woning. Appellant heeft zijn stelling dat het college ten onrechte van de door de taxateur vastgestelde waarde van de woning is uitgegaan, niet met stukken onderbouwd. Het taxatierapport bevat een beschrijving van de staat waarin het gebouw en de grond verkeert. Hiermee is dan ook rekening gehouden bij het bepalen van de waarde. De stelling dat in het taxatierapport rekening had moeten worden gehouden met de omstandigheid dat de woning al twintig jaar wordt bewoond, wordt niet gevolgd. Dat sprake zou zijn van een beletsel bij de verkoop of dat sprake zou zijn van vruchtgebruik van de grond door de bewoners van de woning, staat namelijk niet in rechte vast.

4.7.

Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de WWB uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6792) is een schuld aan een familielid veelal een schuld van vrijblijvende aard. Een belanghebbende heeft echter de mogelijkheid aannemelijk te maken dat sprake is van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Dit dient te geschieden met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn.

4.8.

De stelling dat de woning niet tot het vermogen kan worden gerekend omdat sprake is van een schuld aan een familielid, kan niet slagen. Deze stelling is niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. Eerder heeft appellant in het kader van het onderzoek naar zijn vermogen op 26 juli 2012 verklaard dat hij naast een lening in verband met de aankoop van een Mercedes geen schulden had. Uit de nadien overgelegde brieven van [naam] van juli 1988 en september 1992 volgt slechts dat gevraagd wordt om hulp in de vorm van geld bij het kopen van een huis en dat niet is terugbetaald. Dat sprake is van een daadwerkelijke geldlening met een terugbetaalverplichting is niet met onderliggende stukken onderbouwd. Bovendien wordt in de brief van juli 1988 gesteld dat appellant grond te koop heeft gezien in Kwatta aan de [adres] die hij wil kopen en dat hij daarvoor geld wil lenen. Uit het hypothecair uittreksel blijkt dat deze grond al vanaf 5 januari 1988 op zijn naam stond.

4.9.

Nu het vermogen van appellant de vermogensgrens overschreed in de periode in geding had hij geen recht op bijstand en heeft het college dus op juiste gronden de bijstand ingetrokken en dus teruggevorderd.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen

uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

14/1672 WWB Nieuwe aanvraag

5.1.

Appellant heeft in deze zaak verwezen naar de beroepsgronden in de zaak 13/2737 WWB. Het college heeft bij het bestreden besluit 2 aan appellant met ingang van 19 april 2013 bijstand in de vorm van een lening toegekend. Omdat in de periode van 12 november 2012 tot 19 april 2013 de onroerende zaak nog op naam van appellant stond geregistreerd en hij daarover dus nog kon beschikken en appellant geen nieuwe informatie heeft overgelegd, wordt verwezen naar de overwegingen 4.2 tot en met 4.8. Aangezien het vermogen in de periode van 12 november 2012 tot 19 april 2013 de voor appellant geldende vermogensgrens overschreed, heeft het college terecht geen grond gezien appellant over die periode bijstand toe te kennen.

5.2.

Voor het oordeel dat direct bijstand om niet had moeten worden toegekend en geen leenbijstand vanaf 19 april 2013 tot 10 juli 2013 had mogen worden verleend, bestaat geen grond. Het college heeft toegelicht dat appellant had meegedeeld maatregelen te hebben getroffen om de woning te verkopen en te ontruimen. Daarom is de bijstandverlening per

19 april 2013 gebaseerd op artikel 48, tweede lid, onder a, van de WWB, omdat met de ondernomen acties kon worden aangenomen dat op korte termijn het in de woning gebonden vermogen voor appellant zou vrijkomen. Niet kan worden gezegd dat het college geen gebruik van zijn bevoegdheid tot het verlenen van leenbijstand mocht maken.

5.3.

Hieruit volgt dat ook dit hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in beide zaken geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C.E.M. Paddenburgh

HD