Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
14-905 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:10056, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een incidentele aanvullende uitkering. Omdat niet wordt voldaan aan de statistische criteria van artikel 15, vijfde lid, van de Regeling WWB en WIJ, heeft de Toetsingscommissie WWB (TC) in de beoordeling betrokken de door appellant bij de aanvraag gegeven analyse van de oorzaken van het tekort en de uitzonderlijkheid van de arbeidsmarktsituatie. Deze analyse gaf de TC geen aanleiding om te oordelen dat in dit geval sprake was van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. De aanvraag is terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/905 WWB

Datum uitspraak: 9 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2013, 13/4139 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Middelburg (appellant)

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Dingemanse en S.E. Kok. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.E. Sipos en

drs. J.A.M. Helderman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 30 augustus 2012 een verzoek ingediend voor een incidentele aanvullende uitkering (IAU) als bedoeld in artikel 74 van de Wet werk en bijstand (WWB) over 2011.

1.2.

Bij besluit van 21 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2013 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris het verzoek afgewezen, onder verwijzing naar het advies van de Toetsingscommissie WWB (TC) van 27 november 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de WWB kan de minister op verzoek van het college een IAU toekennen indien de door het college gemaakte kosten als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de WWB hoger zijn dan de daarvoor verstrekte uitkering. Ingevolge artikel 73 van de WWB geeft de TC een oordeel over dat verzoek.

4.2.

Op grond van artikel 74, derde lid, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, van de WWB worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld voor de gronden voor verlening van de aanvullende uitkering en voor de wijze van beoordeling van het verzoek door de TC.

4.3.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van het Besluit WWB 2007 (Besluit) wordt een IAU slechts toegekend voor zover:

a. voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften;

b. de gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de WWB de verstrekte uitkering met minimaal tien procent overstijgen;

c. de uitkomst van de beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan alsmede de rechtmatige uitvoering daarvan aanleiding geeft.

De TC beoordeelt blijkens het tweede lid van datzelfde artikel of een verzoek om een IAU voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden en adviseert de Minister.

4.4.

De in artikel 10, eerste lid, van het Besluit bedoelde ministeriële regeling was ten tijde hier van belang de Regeling WWB en WIJ (Regeling). Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Regeling kan een verzoek voor een IAU slechts voor inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de TC sprake is van:

a. een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt, en

b. de overstijging, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, niet het gevolg is van:

1. onrechtmatige uitvoering van de wet, de WIJ, de IOAW, de IOAZ of de WWIK, of

2. de beleidskeuzen van, dan wel handelen door het college of de gemeenteraad van de tekortgemeente.

4.5.

Artikel 15, vijfde lid, van de Regeling geeft statistische criteria voor de instroom en de uitstroom. Wordt aan die criteria voldaan, dan is in ieder geval sprake van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt.

4.6.

Wordt niet voldaan aan de statistische criteria van artikel 15, vijfde lid, van de Regeling, dan is het aan de TC overgelaten om te beoordelen of sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. De TC heeft in verband met die beoordeling twee criteria ontwikkeld. Het ene criterium ziet op de ontwikkeling van de werkloze beroepsbevolking, het andere op de ontwikkeling van het aantal niet werkende werkzoekenden. Daarbij hanteert de TC een referteperiode van drie jaren, in dit geval de jaren 2008 tot en met 2010. Wordt aan één van deze criteria voldaan, dan is naar het oordeel van de TC sprake van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. Wordt ook aan geen van deze criteria voldaan, dan betrekt de TC de door het college bij de aanvraag gegeven analyse van de situatie op de arbeidsmarkt in haar overweging.

4.7.

Niet in geschil is dat in de gemeente Middelburg niet wordt voldaan aan de in 4.5 en 4.6 bedoelde criteria.

4.8.

Omdat niet wordt voldaan aan de in 4.5 en 4.6 bedoelde statistische criteria, heeft de TC in de beoordeling betrokken de door appellant bij de aanvraag gegeven analyse van de oorzaken van het tekort en de uitzonderlijkheid van de arbeidsmarktsituatie. Deze analyse gaf de TC geen aanleiding om te oordelen dat in dit geval sprake was van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. De TC heeft daarom de staatssecretaris geadviseerd de aanvraag af te wijzen. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat het advies van de TC op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat het niet in strijd is met

wet- en regelgeving en dat in bezwaar niet is aangetoond dat het onvolkomenheden bevat, zodat het advies van de TC mocht worden gevolgd. De rechtbank heeft de staatssecretaris daarin gelijk gegeven.

4.9.1.

Appellant heeft in de eerste plaats als beroepsgrond naar voren gebracht dat een duidelijke indicatie voor een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt is, dat het aantal niet werkende werkzoekenden (NWW-ers) op Walcheren in 2011 met 15,2% is gestegen terwijl landelijk gezien sprake is van een daling met 3,5%. Deze enorme stijging rechtvaardigt volgens appellant ook dat bij de hier te verrichten toetsing niet - opnieuw - de in 4.6 genoemde referteperiode wordt gehanteerd, maar dat de beoordeling wordt toegespitst op het jaar 2011.

4.9.2.

De TC heeft hier tegenover gesteld dat de ontwikkeling van het aantal NWW-ers in de periode december 2010 tot december 2011 niet het enige relevante is. Als, aldus de TC, wordt gekeken naar de ontwikkeling van het aantal NWW-ers tussen 2009 en 2011, dan blijkt dat het aantal NWW-ers in Middelburg in de periode tussen 2009 en 2011 sterker is gedaald dan landelijk het geval was (11,7% respectievelijk 2,1%). Verder heeft de TC vastgesteld dat het aantal NWW-ers als percentage van de beroepsbevolking in Middelburg eind 2011 4,9% was, wat ligt onder het percentage van 6% voor heel Nederland. De staatssecretaris heeft de TC kunnen volgen in zijn oordeel dat, zo bezien, de ontwikkeling in het aantal NWW-ers in 2011 op zichzelf geen overtuigende factor is en dat wat betreft de NWW-ers in 2011 daarom geen sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt in de gemeente Middelburg. Anders dan appellant lijkt te betogen, hebben de TC en de staatssecretaris in dit opzicht dus niet volstaan met een eenvoudige verwijzing naar het “harde” statistische criterium met betrekking tot de NWW-ers en de in dat kader gehanteerde referteperiode. Ter zitting van de Raad heeft appellant er nog op gewezen dat de grote stijging van het aantal NWW-ers in 2011 met zich heeft gebracht dat bijstandsgerechtigden moeilijker hebben kunnen uitstromen naar arbeid, maar in de uitstroomgegevens van de gemeente Middelburg is voor dat standpunt geen steun te vinden.

4.10.1.

Appellant heeft als tweede indicatie voor het aanwezig zijn van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt genoemd, dat het aantal vacatures in Middelburg (op geheel Walcheren) zowel in absolute zin als in vergelijking met het landelijke beeld sterk is gedaald.

4.10.2.

De staatssecretaris heeft onweersproken gesteld dat vanwege het meetellen van internetvacatures twijfel bestaat over de betrouwbaarheid van de vacaturecijfers over 2011

- en daarmee tevens over de betrouwbaarheid van de uitkomst van de vergelijking van het jaar 2010 met het jaar 2011 - en dat daarom vacaturecijfers bij geen enkele gemeente die een IAU heeft aangevraagd zijn meegenomen. De Raad acht het niet onredelijk of anderszins onjuist dat de staatssecretaris om die reden voorbij is gegaan aan de stelling van appellant dat, ook al zijn de cijfers niet volledig betrouwbaar, de daling zo groot is dat daaruit toch de conclusie moet worden getrokken dat sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt.

4.11.1.

Appellant heeft verder gewezen op het faillissement van aluminiumproducent Zalco eind 2011 en van fosforfabrikant Thermophos in 2012, beide gevestigd op het industriegebied Oost-Vlissingen. Die faillissementen moeten worden gezien als signalen dat ook in de periode

daaraan voorafgaand sprake was van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt.

4.11.2.

In het advies van de TC is hierover overwogen dat, nu het faillissement van Zalco in december 2011 is uitgesproken, de invloed hiervan op de bijstandsontwikkeling in 2011 relatief beperkt is. Appellant heeft de vervolgens in het besluit van 21 december 2012 neergelegde aanname van de staatssecretaris dat de bedrijfssluiting van Zalco eind 2011 slechts in zeer beperkte mate heeft bijgedragen aan de situatie op de arbeidsmarkt in Middelburg over geheel 2011, niet aan de hand van cijfers weerlegd.

4.12.

Met betrekking tot de hiervoor besproken, door appellant genoemde indicaties heeft de staatssecretaris, evenals de TC, opgemerkt dat een contra-indicatie bestaat voor de uitzonderlijkheid van de arbeidsmarktsituatie in Middelburg ten opzichte van andere gemeenten, te weten de lage instroomontwikkeling in de bijstand in de gemeente Middelburg (81,4%) vergeleken met de landelijke instroomontwikkeling (114,5%). Appellant heeft daartegenover gesteld dat de lage instroom het gevolg is van in 2011 doorgevoerde wijzigingen in beleid en uitvoering. In dat jaar is onder meer gestart met hantering van een nieuw re-integratie instrument “aan de poort”, waardoor met name jongeren niet zijn ingestroomd. De staatssecretaris kan worden gevolgd in zijn standpunt dat gemeentelijk beleid en uitvoering wel hebben kunnen bijdragen aan de gunstige instroomontwikkeling in Middelburg, maar dat dit geen afbreuk doet aan het oordeel van de TC dat deze ontwikkeling in ieder geval niet wijst op een verstoring van de arbeidsmarkt.

4.11.

Uit 4.7 tot en met 4.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M.R. Schuurman

HD