Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
13-4561 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand gedurende een maand met 30%, wegens het onvoldoende nakomen van arbeidsverplichtingen. Niet kan worden gezegd dat ten aanzien van het niet verschijnen op de afspraak bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4561 WWB

Datum uitspraak: 9 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 augustus 2013, 13/1460 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Til, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/1504 WWB plaatsgehad op

28 oktober 2014. In de zaak 14/1504 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Nisar, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt sinds 11 april 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande. Daarbij zijn aan appellant uitdrukkelijk een aantal arbeidsverplichtingen opgelegd. Op 22 november 2012 is appellant bij e-mailbericht uitgenodigd om op 6 december 2012 een video cv te laten maken en is daarbij tevens uitgenodigd om dit op 27 november 2012 met zijn klantmanager voor te bereiden. Appellant is zonder bericht niet verschenen op deze afspraak. Op 30 november 2012 is appellant telefonisch uitgenodigd om alsnog die dag naar het kantoor te komen voor overleg. Wegens een overlijdensgeval in Marokko wilde appellant niet komen. Appellant weigerde na herhaald verzoek nadere informatie te verstrekken, waarna hij de verbinding verbrak. Daarna is tweemaal een terugbelverzoek op zijn voicemail achtergelaten en is een e-mailbericht verstuurd. Ten slotte is op 30 november 2012 de voicemail van appellant ingesproken, is een e-mailbericht gestuurd en is een brief in zijn brievenbus gedeponeerd, waarbij appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 3 december 2012.

1.2.

Bij besluit van 25 januari 2013 heeft het college hierin aanleiding gevonden de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2013 gedurende een maand met 30% te verlagen omdat hij niet heeft meegewerkt aan een re-integratievoorziening en dus één van zijn arbeidserplichtingen niet is nagekomen.

1.3.

Bij besluit van 4 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 januari 2013 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat weliswaar geen sprake is van het niet nakomen van arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a, van de Maatregelverordening Inkomensvoorziening van de gemeente Amsterdam (verordening), maar wel van het onvoldoende nakomen van arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a van de verordening. Onder verwijzing naar artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening is de hierop van toepassing zijnde standaardmaatregel een verlaging van de bijstand met 30% gedurende een maand. Het is het college ten slotte niet gebleken dat appellant door deze verlaging onredelijk zwaar wordt getroffen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd en heeft daarbij aangevoerd dat hem geen verwijt treft van het niet verschijnen op de afspraken van 27 november 2012 en 3 december 2012, omdat medio en eind november 2012 twee naaste familieleden zijn overleden. Van enige schuld kan volgens appellant geen sprake zijn nu de familie tijdens deze rouwperiode elkaar tot steun moest zijn. Tevens heeft appellant betoogd dat nooit is gereageerd op zijn verzoek om informatie over de voorgenomen video cv. Toen hij te horen kreeg dat het maken van de video cv op 6 december 2012 gewoon doorgang zou vinden, heeft appellant dit als grievend en onredelijk ervaren. De rouw- en verliesverwerking zouden bovendien zichtbaar zijn op de opnames en enkel zijn arbeidskansen verkleinen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het hier van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Vaststaat in ieder geval dat appellant niet is verschenen op een op 30 november 2012 gemaakte nieuwe afspraak voor 3 december 2012. Appellant heeft eerst op 3 december 2012 bij de gemeente telefonisch bericht achtergelaten met de mededeling dat hij het te druk heeft en niet telefonisch bereikbaar is omdat zijn telefoon stuk is. Dat appellant niet verweten kan worden dat hij niet op de afspraak is verschenen vanwege het overlijden van naaste familieleden kan niet worden gevolgd. Nu appellant op 22 november 2012 bekend was met de eerdere afspraak om op 6 december 2012 een video cv te maken en dit op 27 november 2012 voor te bereiden, had het op zijn minst op de weg van appellant gelegen eerder duidelijkheid te geven omtrent de werkelijke reden van zijn weigering om op dat moment mee te werken aan de video cv. Eerst op 17 januari 2013 heeft appellant aan zijn klantmanager te kennen gegeven dat zijn grootvader in november 2012 is overleden, dat hij de laatste vijf weken behoorlijke kiespijn heeft gehad en dat hij dit pas in januari 2013 heeft kunnen laten behandelen. Een en ander was voor het college op 30 november 2012 echter (nog) niet duidelijk. De uitnodiging van 30 november 2012 voor een nieuwe afspraak op 3 december 2012, kan onder de gegeven omstandigheden dan ook niet voor onredelijk worden gehouden.


4.2. Gelet op 4.1 kan niet worden gezegd dat ten aanzien van het niet verschijnen op de afspraak van 3 december 2012 bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was daarom gehouden op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant overeenkomstig de verordening te verlagen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C. Moustaïne

HD