Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
12-6431 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Appellant heeft naar nationaal recht geen aanspraak op een uitkering. Appellant kan evenmin aanspraak op een WW-uitkering ontlenen aan Vo 1408/71. Appellant heeft zich niet bij het Uwv aangemeld. Appellant voldeed van het begin van zijn werkloosheid tot in elk geval zijn aanvraag van een WW-uitkering niet aan de in artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71 gestelde eis van het ter beschikking blijven van de Nederlandse dienst voor arbeidsbemiddeling, het Uwv, door zich aldaar in te schrijven en onder controle te blijven. Niet gebleken dat appellant met betrekking tot de mogelijkheid van inschrijving als werkzoekende door inlichtingen van het Uwv op het verkeerde been is gezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6431 WW

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 oktober 2012, 11/6216 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], Roemenië (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.J. Smallenbroek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Voor appellant is

mr. Smallenbroek verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 voor [naam werkgever] werkzaam geweest in Roemenië. Op basis van een overeenkomst tussen Nederland en Roemenië als bedoeld in artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71), vastgelegd in een E101-formulier, is op appellant de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing gebleven.

1.2.

De arbeidsovereenkomst is door [naam werkgever] met ingang van 1 januari 2009 beëindigd. Dit ontslag is door de rechtbank Arnhem, sector kanton, nietig geoordeeld, maar dit vonnis is bij arrest van 12 juli 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR3312, vernietigd door het Gerechtshof Arnhem. Dit hof heeft vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [naam werkgever] met ingang van 1 januari 2009 is geëindigd. Appellants beroep in cassatie tegen dit arrest is op 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7389, door de Hoge Raad verworpen.

1.3.

Op 22 juli 2011 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Deze uitkering is hem bij besluit van 4 augustus 2011 geweigerd. Bij beslissing op bezwaar van 10 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van

4 augustus 2011 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

De Raad overweegt het volgende.

3.2.1.

Artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71 luidt als volgt. “1. De werkloze werknemer die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonde, heeft recht op uitkering overeenkomstig de volgende bepalingen: b) i) een werknemer die geen grensarbeider is en gedeeltelijk of door onvoorziene omstandigheden of volledig werkloos is, doch ter beschikking blijft van zijn werkgever of van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde Staat, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die Staat, alsof hij op het grondgebied van die Staat woonde; deze uitkering wordt door het bevoegde orgaan verleend; ii) een werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de Lid-Staat waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof hij zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied daarvan had uitgeoefend; deze uitkering wordt door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend. Indien deze werknemer evenwel in het genot van uitkering werd gesteld voor rekening van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij het laatst onderworpen was, heeft hij recht op uitkering overeenkomstig artikel 69. De uitkering volgens de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan hij woont, wordt geschorst gedurende het tijdvak waarin de werkloze op grond van artikel 69 aanspraak kan maken op uitkering krachtens de wettelijke regeling waaraan hij het laatst onderworpen was.”

3.2.2.

Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW luidt als volgt.

“1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die: e. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.”

3.3.

Aan de orde is of appellant op 1 januari 2009 recht had op een werkloosheidsuitkering.

3.4.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellant op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen aanspraak op een uitkering heeft. De vraag is daarom of appellant een aanspraak op een WW-uitkering kan ontlenen aan Vo 1408/71, welke verordening ten tijde hier van belang van toepassing was.

3.5.

Op grond van de onder 1.1 genoemde overeenkomst is gedurende de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op appellant van toepassing gebleven. Ter zake van direct in aansluiting op deze periode ontstane werkloosheid moet Nederland dus worden aangemerkt als de bevoegde lidstaat als bedoeld in artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71. Appellant was op 1 januari 2009 woonachtig in Roemenië. Als volledig werkloze niet-grensarbeider kon appellant op grond van artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, i, van Vo 1408/71 aanspraak maken op een uitkering op grond van de WW als hij ten tijde van belang ter beschikking bleef van de diensten voor arbeidsbemiddeling in Nederland. In het arrest van - thans - het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 1 februari 1996, C-308/94, Naruschawicus, is vastgesteld dat een werknemer ter beschikking blijft van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de bevoegde staat, als hij zich als werkzoekende bij die diensten laat inschrijven en zich aan de controle van bevoegde diensten van die staat onderwerpt. Voor de Nederlandse situatie betekent dit dat appellant zich als werkzoekende diende aan te melden bij het Uwv.

3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zich niet bij het Uwv heeft aangemeld. Hij heeft gesteld dit hem dit niet mogelijk was omdat hij geen woonadres in Nederland had dat was ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA), nu de Basisregistratie Personen. Hij heeft in dit verband gewezen op verslagen van in 2013 gevoerde telefoongesprekken, volgens welke hem door medewerkers van het Uwv is meegedeeld dat hij zich zonder woonadres in Nederland niet als werkzoekende kan inschrijven. Appellant heeft niet gesteld dat hij kort na 1 januari 2009 heeft gepoogd zich bij het Uwv in te schrijven. Als appellant in 2009 inschrijving als werkzoekende zou zijn geweigerd, zou hij dit in een procedure over zijn WW-uitkering aan de orde hebben kunnen stellen. Het Uwv was op grond van artikel 30b van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen verplicht appellant als werkzoekende te registreren. Nu kan slechts worden vastgesteld dat appellant van het begin van zijn werkloosheid op 1 januari 2009 tot in elk geval zijn aanvraag van een WW-uitkering op 22 juli 2011 niet voldeed aan de in artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71 gestelde eis van het ter beschikking blijven van de Nederlandse dienst voor arbeidsbemiddeling, het Uwv, door zich aldaar in te schrijven en onder controle te blijven.

3.7.

Niet gebleken is dat appellant ten tijde hier van belang met betrekking tot de mogelijkheid van inschrijving als werkzoekende door inlichtingen van het Uwv op het verkeerde been is gezet. De aan hem in 2013 verstrekte informatie kan hierbij geen rol spelen, nu deze ver na 1 januari 2009 is verstrekt.

3.8.

Dat appellant gepoogd zou hebben werk te vinden, zoals hij heeft gesteld, doet aan het voorgaande niet af. Daarbij moet nog worden aangetekend dat tot oktober 2011 slechts één sollicitatie in 2009 is aangetoond.

3.9.

Het onder 3.2.1 tot en met 3.8 overwogene leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en

J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

MK