Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:41

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
17-01-2014
Zaaknummer
12-1583 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vervoersvoorziening. De Raad is van oordeel dat niet gebleken is dat het door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medisch advies van Pourier van 10 december 2010, aangevuld op 18 januari 2011, onzorgvuldig is voorbereid of dat de daarin getrokken conclusie niet gedragen kan worden door de bevindingen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1583 WMO

Datum uitspraak: 15 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

6 februari 2012, 11/155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2013. Voor appellante is

mr. Dassen-Vranken verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.G. Savelbergh.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 30 juli 2010 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) onder meer een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van het gebruik van een regiotaxi tegen laag tarief.



1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een huisbezoek bij appellante plaatsgevonden op 18 augustus 2010 en is overleg gevoerd met de aan de GGD Zuid-Limburg verbonden arts

dr. T. Pelzer, omdat hij appellante in maart 2010 medisch heeft onderzocht in verband met een verzoek om bijzondere bijstand voor stookkosten. Op 20 augustus 2010 is vervolgens door een Wmo-consulent een onderzoeksrapport opgemaakt. Bij besluit van gelijke datum heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante geen aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek ondervindt met betrekking tot het verplaatsen over langere afstanden buitenshuis.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 augustus 2010. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft J. Pourier, arts bij de GGD Zuid-Limburg, op

10 december 2010, aangevuld op 18 januari 2011, een medisch advies uitgebracht. In dit advies, dat tot stand is gekomen na een spreekuurbezoek op 11 november 2010, eigen onderzoeksbevindingen, kennisname van informatie van de chirurg dr. Baeten van

24 november 2010 en 12 januari 2011 en de huisarts A.A.M. de Wit van 2 december 2010 en een beschouwing van de algemene gezondheidstoestand van appellante, heeft Pourier geconcludeerd dat geen medische noodzaak bestaat voor een vervoersvoorziening. Pourier heeft hierbij overwogen dat geen sprake is van geobjectiveerde afwijkingen die de loopbeperking van appellante kunnen verklaren.

1.4.

Bij besluit van 17 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar het medisch advies van 10 december 2010, ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat het college de vervoersvoorziening op goede gronden heeft afgewezen, aangezien appellante niet met medische stukken heeft onderbouwd dat zij beperkingen heeft bij het lopen van een afstand van ongeveer een kilometer. Evenmin heeft zij onderbouwd waarom het vervoer in de bus voor haar onmogelijk dan wel problematisch zou zijn.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft zij, onder verwijzing naar een overzicht van haar medische gegevens van de huisarts van

25 november 2011 en 9 maart 2012, alsmede naar een kopie van een aanvraagformulier zittend ziekenvervoer, onder meer aangevoerd dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de bij haar bestaande lichamelijke en psychische beperkingen. Appellante heeft als gevolg van heup-, knie-, rug-, duizeligheids- en psychische klachten problemen met lopen, langdurig staan en hobbelige busritten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college op goede gronden heeft geoordeeld dat appellante ten tijde in geding niet zodanige - naar objectieve maatstaf gemeten - medische beperkingen had, dat zij voor vervoer aangewezen was op een vervoersvoorziening.

4.2.

De Raad is van oordeel dat niet gebleken is dat het door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medisch advies van Pourier van 10 december 2010, aangevuld op 18 januari 2011, onzorgvuldig is voorbereid of dat de daarin getrokken conclusie niet gedragen kan worden door de bevindingen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de onderhavige medische beoordeling. Appellante heeft verwezen naar uit de overzichten van de huisarts van 25 november 2011 en 9 maart 2012 blijkende heup- en knieklachten. De passages uit de overzichten waarop appellante doelt betreffen een brief van de cardioloog van 22 maart 2011 en een brief van de GGD van 15 november 2010. Hieruit kan de Raad slechts afleiden dat appellante bij die gelegenheden knie- en heupklachten heeft geuit, maar niet dat een oorzaak daarvan door een arts is gediagnosticeerd. Voorts kan uit het aanvraagformulier voor zittend ziekenvervoer niet meer worden afgeleid dan dat appellante zelf melding heeft gemaakt van rugproblemen.

4.3.

Het voorgaande betekent dat het college de in het bestreden besluit neergelegde handhaving van het besluit om de vervoersvoorziening af te wijzen juist is. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) D.E.P.M. Bary

CVG