Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4099

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
13-1773 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit is een nieuwe berekening gemaakt van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van appellant. Tevens zijn de terugvordering en boete verlaagd. Het Uwv heeft het gemiddeld aantal arbeidsuren per week op goede gronden vastgesteld op basis van gegevens uit zijn polisadministratie over de periode van 26 weken voor het intreden van de werkloosheid. Het gemiddeld aantal arbeidsuren per week is juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1773 WW, 14/3869 WW

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

8 maart 2013, 12/5737 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Steeman.

De Raad heeft het onderzoek geschorst.

Het Uwv heeft op 23 mei 2014 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft een zienswijze gegeven op het besluit van 23 mei 2014, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 5 november 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 1 november 2010 tot en met 31 juli 2011 gedurende 38 uur per week werkzaam geweest bij [Naam werkgever] ([werkgever]). Daarnaast werkte hij onder meer als oproepkracht bij [naam werkgever 2] ([werkgever 2]). Appellant is met ingang van 1 augustus 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 38. Aan appellant is daarbij een zogenoemde vrijlating toegekend van 7,04 uur, overeenkomend met het gemiddeld aantal uren dat hij in de laatste 26 weken voor zijn werkloosheid bij [werkgever 2] had gewerkt. Nadat was gebleken dat appellant vanaf 1 augustus 2011 naast zijn WW-uitkering bij diverse werkgevers had gewerkt, maar de daarmee gemoeide uren niet had opgegeven, heeft het Uwv die uitkering bij besluit van 14 juni 2012 herzien over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 22 april 2012 en de volgens het Uwv over die periode onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 4.478,- van appellant teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 450,-, omdat appellant niet had doorgegeven dat hij bij vier werkgevers had gewerkt.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 14 juni 2012 en 28 juni 2012. Bij beslissing op bezwaar van 1 oktober 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hij heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij geen regelmatig arbeidspatroon had, waardoor hij soms gedurende één of meer weken veel uren werkte en dan weer een geruime tijd niet. Volgens appellant doet de berekeningswijze van het Uwv, die erop neerkomt dat per week een korting op zijn uitkering plaatsvindt van de in die week door hem gewerkte uren, geen recht aan zijn onregelmatige arbeidspatroon. In zijn situatie zou een beoordeling over een heel jaar moeten plaatsvinden, aldus appellant. Omdat hij per jaar gemiddeld niet meer dan 7,04 uur per week heeft gewerkt is bij de door hem voorgestane berekeningswijze een korting op zijn

WW-uitkering niet aan de orde.

3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de zitting van de Raad van 15 januari 2014 een nieuwe berekening gemaakt van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van appellant. Dit heeft geleid tot het besluit van 23 mei 2014 (bestreden besluit 2), waarin het gemiddeld aantal arbeidsuren per week is bepaald op 45,62 uur per week, de terugvordering nader is bepaald op € 3.852,10 en de boete is verlaagd naar € 390,-.

3.3.

Appellant heeft te kennen gegeven zich ook met bestreden besluit 2 niet te kunnen verenigen, omdat daarin niet is tegemoetgekomen aan zijn in 3.1 weergegeven bezwaren. Hij heeft tevens gesteld dat het gemiddeld aantal arbeidsuren per week door het Uwv ook bij bestreden besluit 2 te laag is vastgesteld, omdat geen rekening is gehouden met uren waarin hij in twee veiligheidsregio’s werkzaamheden heeft verricht als lid van de vrijwillige brandweer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bestreden besluit 1 moet worden vernietigd, omdat het niet is gehandhaafd bij bestreden besluit 2. Ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd omdat daarbij bestreden besluit 1 ten onrechte in stand is gelaten. Nu bestreden besluit 2 niet geheel tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant maakt dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, deel uit van het geding, wordt het beroep geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit 2 en zal nu het beroep tegen bestreden besluit 2 worden beoordeeld.

4.2.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.

In het tweede lid van artikel 16 van de WW, voor zover hier van belang, is bepaald dat onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

4.2.2.

Artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW bepaalt dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer niet langer werkloos is. Voor deze werknemer eindigt het recht op uitkering op grond van artikel 20, derde lid, van de WW ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht. Het recht op uitkering herleeft op grond van artikel 21, eerste lid, van de WW, voor zover hier van belang, indien de omstandigheid die tot het eindigen heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan.

4.2.3.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv de uitkering indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.2.4.

In artikel 25 van de WW, voor zover van belang, is bepaald dat de werknemer verplicht is het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

4.2.5.

Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van artikel 36, vierde lid, van de WW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.2.6.

In artikel 27a van de WW is bepaald dat het Uwv een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste € 2.269 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW. Artikel 2 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, waarin nadere regels zijn gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete, bepaalt dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-.

4.3.1.

Het Uwv heeft het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van appellant vastgesteld op basis van gegevens uit zijn polisadministratie over de periode van 26 weken voor het intreden van de werkloosheid van appellant. Met het bezien van een referteperiode van 26 weken heeft het Uwv gehandeld in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, van de WW.

4.3.2.

Uit de polisadministratie is gebleken dat appellant in de referteperiode behalve gemiddeld 38 uur bij [werkgever] ook gemiddeld 7,04 uur bij [werkgever 2] werkte en 0,58 uur bij [naam werkgever 3], rechtsopvolger van [naam C.]. De polisadministratie bevatte geen urenopgave van werkzaamheden van appellant voor de Veiligheidsregio’s [namen regio's] in de referteperiode. Daarom heeft het Uwv appellant bij brief van 23 april 2014 verzocht om kopieën van loonstroken over te leggen. Appellant heeft aan dat verzoek niet voldaan. Onder deze omstandigheden heeft het Uwv het gemiddeld aantal arbeidsuren per week terecht vastgesteld op 45,62 uur.

4.4.

Uit de in 4.2.1 en 4.2.2 weergegeven wettelijke bepalingen volgt dat de omvang van een WW-recht per kalenderweek wordt vastgesteld. Indien naast een WW-uitkering werkzaamheden worden verricht worden de daarmee gemoeide uren per week gekort op de uitkering. Het Uwv heeft dus terecht een berekening per week gemaakt van de omvang van het WW-recht van appellant. Het in 3.1 weergegeven betoog van appellant dat een gemiddelde per jaar zou moeten worden berekend slaagt dan ook niet.

4.5.

Appellant heeft niet betwist dat hij tijdens het ontvangen van zijn WW-uitkering heeft gewerkt bij meerdere werkgevers, en daarvan geen melding heeft gemaakt bij het Uwv. Hiermee heeft appellant zijn uit artikel 25 van de WW voortvloeiende informatieplicht geschonden. Dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat opgave van die uren niet nodig was zolang hij over een heel jaar bezien gemiddeld niet meer dan 7,04 uur per week zou werken, komt voor zijn rekening en ziet eraan voorbij, dat appellant alle feiten en omstandigheden moest mededelen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed zouden kunnen zijn op het recht op uitkering. Uren waarin arbeid als werknemer is verricht zijn als zodanige feiten te beschouwen, temeer indien van een onregelmatig arbeidspatroon sprake is, zoals bij appellant. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat het Uwv de WW-uitkering terecht met terugwerkende kracht heeft herzien in de weken waarin appellant werkte naast zijn uitkering en het onverschuldigd betaalde bedrag terecht van hem heeft teruggevorderd.

4.6.

Appellant kan van de overtreding van zijn inlichtingenplicht subjectief een verwijt worden gemaakt, omdat hij op de hoogte was van die verplichting en er geen misverstand over kon bestaan dat hij zijn gewerkte uren moest opgeven. Die verwijtbaarheid kan niet als verminderd worden aangemerkt. Gelet hierop, en mede gezien de overige voor appellant gebleken omstandigheden, is de opgelegde boete van € 390,- evenredig.

5. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet. Hieraan wordt toegevoegd dat het Uwv zich ter zitting van 5 november 2014 bereid heeft verklaard om het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van appellant en de mogelijke gevolgen daarvan voor de herziening en de terugvordering van diens WW-uitkering en voor de boete, opnieuw te bezien, indien appellant alsnog gegevens verstrekt over het aantal uren dat hij in de hier relevante perioden als lid van de vrijwillige brandweer werkzaam is geweest voor één of meer veiligheidsregio’s.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 oktober 2012;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 mei 2014 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K. de Jong

RB