Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
14-208 WWB-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 december 2014

14/208 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 januari 2014, 13/355 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 20 mei 2014 (14/208 WWB) heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 oktober 2014. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 20 mei 2014, verzonden op 20 mei 2014, berust hierop dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het verzet ontvankelijk is.

Het door appellant ingediende verzetschrift is gedateerd 25 juli 2014 en is op 29 juli 2014 door de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift van zes weken is dus overschreden.

Appellant heeft in zijn verzetschrift opgemerkt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hij niet eerder in de gelegenheid was verzet te doen. Deze bijzondere omstandigheden waren volgens appellant dat procedures in de pauzestand zijn gezet en dat er een mediator is benoemd, alsmede de te grote hoeveelheid procedures die hij in eerste aanleg en in hoger beroep moet voeren. Deze procedures zijn veroorzaakt door het college respectievelijk de rechter in eerste aanleg, aldus appellant. Hiermee heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van een verzetschrift verschoonbaar is. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt- valt immers niet in te zien dat en waarom deze omstandigheden in de weg hebben gestaan aan het tijdig indienen van een verzetschrift, al dan niet op nader aan te voeren gronden.

Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M.R. Schuurman

HD