Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4090

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
13-6251 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing verzoek voor een incidentele aanvullende uitkering (IAU) als bedoeld in artikel 74 van de WWB over 2010, onder verwijzing naar het advies van de Toetsingscommissie WWB (TC). De staatsecretaris mag zich in beginsel verlaten op het advies van de TC. De motivering van het advies laat echter te wensen over omdat niet inzichtelijk is gemaakt waarom de inspanningen die appellant in 2010 heeft verricht op het gebied van uitstroombevordering en handhaving niet voldoende zijn en waarom de extra aandacht die aan jongeren is besteed niet van belang wordt geacht. Mede tegen de achtergrond van de extra informatie die appellant op verzoek van de TC en in reactie op de brief van de TC heeft gegeven, moet worden geconcludeerd dat het advies een onvoldoende draagkrachtige motivering bevat. De Raad draagt de staatssecretaris op om het gebrek in het besluit te herstellen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 69
Wet werk en bijstand 73
Wet werk en bijstand 74
Besluit Participatiewet
Besluit Participatiewet 10
Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ
Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ 15
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 8:51d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/24
USZ 2015/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6251 WWB-T

Datum uitspraak: 9 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2013, 13/1166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (appellant)

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.K. Petersen, mr. M.P. van Dort en drs. K. Verheije. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.E. Sipos en

drs. J.A.M. Helderman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 28 juli 2011 over 2010 een verzoek ingediend voor een incidentele aanvullende uitkering (IAU) als bedoeld in artikel 74 van de WWB over 2010. Het gaat om een bedrag van € 528.594,-.

1.2.

Bij besluit van 23 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris het verzoek afgewezen, onder verwijzing naar het advies van de Toetsingscommissie WWB (TC) van 15 december 2011.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de WWB kan de minister op verzoek van het college een IAU toekennen indien de door het college gemaakte kosten als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de WWB hoger zijn dan de daarvoor verstrekte uitkering. Ingevolge artikel 73 van de WWB geeft de TC een oordeel over dat verzoek.

4.2.

Op grond van artikel 74, derde lid, van de WWB, zoals dat destijds luidde, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld onder welke voorwaarden een verzoek kan worden ingediend en op grond waarvan de TC een verzoek beoordeelt.

4.3.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van het Besluit WWB 2007 (Besluit) wordt een IAU slechts toegekend voor zover:

a. voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften;

b. de gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de WWB de verstrekte uitkering met minimaal tien procent overstijgen;

c. de uitkomst van de beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan alsmede de

rechtmatige uitvoering van de wet daartoe aanleiding geeft.

De TC beoordeelt blijkens het tweede lid van datzelfde artikel of een verzoek tot een IAU voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden en adviseert Onze Minister.

4.4.

De in artikel 10 van het Besluit bedoelde ministeriële regeling was ten tijde hier van belang de Regeling WWB en WIJ (Regeling). Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Regeling kan een verzoek voor een IAU slechts voor inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de TC sprake is van:

a. een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt, en

b. de overstijging, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, niet het gevolg is van:

1̊. onrechtmatige uitvoering van de wet, de WIJ, de IOAW, de IOAZ of de WWIK, of

2.̊ de beleidskeuzen van, dan wel handelen door het college of de gemeenteraad van de tekortgemeente.

Ingevolge het zesde lid van artikel 15 van de Regeling is het derde lid, onderdeel b, sub 2, niet van toepassing op gemeenten met 40.000 of minder inwoners. Dit betekent voor appellant dat dit artikelonderdeel niet aan de orde is omdat de gemeente Woensdrecht minder dan 40.000 inwoners heeft.

4.5.

Artikel 15, vijfde lid, van de Regeling geeft statistische criteria voor de instroom en de uitstroom. Wordt aan die criteria voldaan, dan is in ieder geval sprake van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt.

4.6.

Wordt niet voldaan aan de statistische criteria van artikel 15, vijfde lid, van de Regeling, dan is het aan de TC overgelaten om te beoordelen of sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. De TC heeft in verband met die beoordeling twee criteria ontwikkeld. Het ene criterium ziet op de ontwikkeling van de werkloze beroepsbevolking, het andere op de ontwikkeling van het aantal niet werkende werkzoekenden. Wordt aan één van deze criteria voldaan, dan is naar het oordeel van de TC sprake van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. Wordt aan geen van deze criteria voldaan, dan betrekt de TC de door het college bij de aanvraag gegeven analyse van de situatie op de arbeidsmarkt in haar overweging.

4.7.

In hoger beroep is niet meer in geschil dat appellant niet voldoet aan de in 4.5 en 4.6 bedoelde criteria, zodat van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt geen sprake is.

4.8.

Indien naar het oordeel van de TC bij een gemeente met maximaal 40.000 inwoners, zoals de gemeente Woensdrecht, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt kan de TC op grond van artikel 15, zevende lid, van de Regeling het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan bij de oordeelsvorming betrekken en indien dat beleid of de uitvoering daarvan daartoe aanleiding geeft, alsnog tot het oordeel komen dat het verzoek voor inwilliging in aanmerking kan komen.

4.9.

Appellant heeft in de door hem bij de aanvraag verstrekte analyse van beleid en uitvoering de maatregelen genoemd die in het kader van de handhaving en de rechtmatigheid van de uitvoering zijn genomen. Voorts heeft appellant daarin beschreven welke activiteiten zijn ontplooid ter preventie van de instroom en bevordering van de uitstroom, waarbij met name ten aanzien van jongeren als doel is gesteld deze zoveel mogelijk uit de bijstand te houden. Hiertoe is per 1 januari 2010 een Jongeren Taskforce Team opgericht dat jongeren begeleidt naar school of werk. Daarnaast zijn in 2009 twee re-integratieconsulenten aangesteld die intensief aan de slag zijn gegaan om ook die jongeren die reeds een uitkering ontvangen naar werk te begeleiden. Hiertoe worden onder andere sollicitatietrainingen gegeven. Ook is binnen het UWV Werkplein een Leerwerkadviespunt geopend dat wordt bemand door twee leerwerkadviseurs die als taak hebben voor werkgevers en voor iedereen die op weg is naar werk leertrajecten te arrangeren. Tenslotte is tot 1 juli 2010 een medewerker van het UWV gedetacheerd bij de gemeente Woensdrecht met als doel om de poortwachtersfunctie te versterken. Dit heeft daadwerkelijk geleid tot beperking van de instroom omdat werklozen direct te bemiddelen waren naar een betaalde baan.

4.10.

Op verzoek van de TC heeft appellant op 30 augustus 2011 aanvullende informatie gegeven over de beleidsinstrumenten die worden ingezet voor de verschillende doelgroepen en de instrumenten die worden ingezet om de instroom te beperken. Ook is een verklaring gegeven voor de toename van het klantenbestand in 2010. Bij brief van 13 oktober 2011 heeft de TC vervolgens gevraagd wat het beleid is voor personen die langdurig een bijstandsuitkering ontvangen en hoe groot het aantal personen is in de WWB dat is vrijgesteld van de arbeidsverplichting. Appellant heeft hierop geantwoord dat ook bij personen die langdurig bijstand ontvangen wordt gekeken of ze iets kunnen doen voor de maatschappij als uitstroom naar arbeid niet of bijna niet mogelijk is. Dit heeft voor een 35-tal personen geleid tot het aanbieden van een traject vrijwilligerswerk. Er zijn geen bijstandsgerechtigden die officieel zijn ontheven van de arbeidsverplichting. Wel zijn er 72 personen die een zogenoemd “rusttraject” hebben, wat te maken heeft met ernstige medische en/of psychische klachten die het op termijn aanvaarden van arbeid in de weg staan. Momenteel wordt opnieuw naar deze groep gekeken of verbetering is opgetreden en eventueel een stap gemaakt kan worden op de participatieladder. Wanneer dat niet het geval is, zal worden overgegaan tot het verlenen van een ontheffing van de arbeidsverplichtingen.

4.11.

De TC heeft op 15 december 2011 een negatief advies uitgebracht over de aanvraag van appellant. Aan dat advies ligt ten grondslag dat van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt geen sprake is en dat beleid en uitvoering van appellant evenmin aanleiding geven voor een positief advies. Volgens de TC zijn uit de door appellant verstrekte informatie geen extra inspanningen op het gebied van uitstroombevordering en handhaving gebleken om het tekort op het budget terug te dringen. Het feit dat appellant extra aandacht heeft besteed aan de categorie jongeren doet daar niet aan af.

4.12.

Appellant heeft in hoger beroep zijn in eerste aanleg aangevoerde beroepsgrond herhaald dat voor het jaar 2011 wel een IAU is toegekend, terwijl het beleid vrijwel niet is gewijzigd. Deze beroepsgrond treft geen doel. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant het standpunt van de staatssecretaris niet heeft weersproken dat appellant bij zijn aanvraag om een IAU voor 2011 zelf te kennen heeft gegeven extra inspanningen te hebben verricht om bij de uitvoering van de WWB binnen het budget te blijven en heeft daarbij elementen in de uitvoering genoemd die bij de aanvraag voor 2010 en de op verzoek van de TC gegeven nadere toelichting niet of in mindere mate naar voren zijn gekomen. Dit betreft onder andere het onderzoek van de IB-signalen, een stevige inhaalslag ten aanzien van terugvordering en verhaal en diverse integrale toezicht- en handhavingsacties. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift in hoger beroep terecht opgemerkt dat juist die extra inspanningen ertoe hebben geleid dat aan appellant voor het jaar 2011 een IAU is toegekend. De beroepsgrond dat de extra activiteiten in 2011 beter naar voren zijn gekomen doordat het aangepaste formulier daarvoor meer ruimte bood, slaagt niet. Het ligt op de weg van appellant om met argumenten te komen op grond waarvan het in de rede ligt om het beleid en de uitvoering ten aanzien van de WWB zodanig positief te beoordelen dat dit tot een toekenning van een IAU moet leiden. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om dit ook buiten het desbetreffende formulier om te doen.

4.13.

Appellant heeft aangevoerd dat in het advies van de TC niet is toegelicht waarom de extra inspanningen die in 2010 zijn verricht ten aanzien van de re-integratie en uitstroom onvoldoende aanleiding gaven om het verzoek om een IAU positief te beoordelen. Appellant heeft immers verschillende punten genoemd waarop extra inspanningen zijn verricht, waaronder de taskforce voor jongeren, het leerwerkadviespunt, de bemiddeling naar vrijwilligerswerk en het werkgeversservicepunt. In het advies van de TC worden deze elementen niet genoemd. Voorts heeft appellant erop gewezen dat hij zich in 2010 met succes heeft ingezet om aanvullende fondsen te verwerven in de vorm van subsidies en dat als gevolg hiervan de bruto participatiegraad in Woensdrecht 73% bedraagt, waar het gemiddelde van de provincie Noord-Brabant 69,9% is.

4.14.

Desgevraagd hebben de gemachtigden van de staatssecretaris ter zitting van de Raad te kennen gegeven dat de TC een eigen beoordelingsruimte heeft en dat de staatssecretaris over de invulling daarvan weinig kan zeggen. De TC is echter zorgvuldig te werk gegaan, wat ook blijkt uit het feit dat tot twee keer toe nadere informatie bij appellant is opgevraagd.

4.15.

Niet ter discussie staat dat de staatsecretaris zich in beginsel mag verlaten op het advies van de TC. Dit is anders als het advies van de TC op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Niet is gebleken dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of feitelijke onjuistheden bevat. De motivering van het advies laat echter te wensen over omdat niet inzichtelijk is gemaakt waarom de inspanningen die appellant in 2010 heeft verricht op het gebied van uitstroombevordering en handhaving niet voldoende zijn en waarom de extra aandacht die aan jongeren is besteed niet van belang wordt geacht. Mede tegen de achtergrond van de extra informatie die appellant op verzoek van de TC op 30 augustus 2010 en in reactie op de brief van de TC van 13 oktober 2010 heeft gegeven, moet worden geconcludeerd dat het advies een onvoldoende draagkrachtige motivering bevat.

4.16.

Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval bestaat niet de mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

4.17.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de staatssecretaris op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen. Het ligt daarbij in de rede dat de staatssecretaris zich wendt tot de TC met het verzoek om het advies nader te motiveren.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de staatssecretaris op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 8 januari 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M.R. Schuurman

HD