Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
14-2453 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2453 WWB

Datum uitspraak: 9 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

28 maart 2014, 12/1824 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Pentasz Mergelland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.T.P.P. Gijsens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en overwegingen.

1.1.

Appellante heeft op 19 februari 2010 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor een tegemoetkoming in de kosten van een gehoorapparaat.

1.2.

Het dagelijks bestuur heeft appellante bij brief van 17 mei 2010 gevraagd bankafschriften van haar rekeningen te overleggen, omdat het dagelijks bestuur over onvoldoende gegevens beschikt om op de aanvraag te beslissen.

1.3.

Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten op de grond dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd.

1.4.

Appellante heeft bij faxbericht van 15 augustus 2012, onder verwijzing naar faxberichten van 23 juli 2012, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 mei 2010.

1.5.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 10 oktober 2012 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2010 niet-ontvankelijk verklaard. De besluitvorming berust op de overwegingen dat het door appellante ingediende bezwaarschrift ruim twee jaar te laat is ingediend en dat appellante geen redenen kenbaar heeft gemaakt waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat sprake was van psychische klachten waardoor zij niet in staat was, zo nodig met hulp van derden, om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Ter ondersteuning is een verklaring van de psychiater-psychotherapeut M.M.M.G. Debije overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.

De termijn voor het instellen van bezwaar is aangevangen op 29 mei 2010 en is op 9 juli 2010 geƫindigd. Vaststaat dat het faxbericht van appellante op 15 augustus 2012 door het dagelijks bestuur is ontvangen. Of de eerdere stukken van appellante van 23 juli 2012 al dan niet door het dagelijks bestuur zijn ontvangen, kan in het midden worden gelaten nu ook indien het dagelijks bestuur die stukken zou hebben ontvangen appellante niet binnen de daarvoor gestelde termijn bezwaar had gemaakt. Hiermee is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

4.3.

In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest als bedoeld in

artikel 6:11 van de Awb. Appellante heeft niet met medische informatie uit de behandelende sector dan wel op andere wijze aannemelijk gemaakt dat haar medische situatie tijdens de bezwaartermijn van 29 mei 2010 tot en met 9 juli 2010 zodanig ernstig was dat zij niet in staat was tijdig een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen dan wel daarvoor de hulp van derden in te roepen. Psychiater-psychotherapeut Debije heeft verklaard dat appellante sinds juni 2012 bij hem onder behandeling staat en dat hij geen uitspraken kan doen over eventuele psychische klachten ten tijde van de bezwaartermijn. Debije heeft in zijn verklaring verwezen naar de psychiater N. Ham bij wie appellante indertijd onder behandeling was. Psychiater Ham heeft in een brief van 23 april 2009 echter verklaard dat appellante van 7 april 2008 tot 12 maart 2009 bij haar in behandeling is geweest en dat de behandeling op 12 maart 2009 is afgesloten.

4.4.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante rond de bezwaartermijn in andere juridische procedures in staat is geweest derden te benaderen om haar belangen te behartigen. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij haar moeder en oom daarvoor had ingeschakeld. Haar moeder regelde zaken voor haar en keek de post na. Dat haar moeder in deze procedure kennelijk na ontvangst van het besluit van 27 mei 2010 appellante niet in kennis heeft gesteld van dit besluit en vooralsnog heeft afgezien van het indienen van bezwaar, komt voor rekening en risico van appellante. Immers, volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5187) worden fouten of nalatigheden van een gemachtigde toegerekend aan degene die de gemachtigde heeft gevraagd zijn of haar belangen te behartigen. Er zijn dus geen redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2010 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD