Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
12-4621 WWAJ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:3579, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking van de erkenning van [B.V.] als jobcoachorganisatie. De B.V. heeft onjuiste informatie verstrekt aan het Uwv en gedurende een lange periode te veel uren gedeclareerd die zij niet kan verantwoorden. Het Uwv heeft op basis van deze onderzoeksresultaten geconcludeerd dat [B.V.] niet meer voldeed aan de in de Regeling erkenningscriteria voor jobcoachorganisaties (Erkenningsregeling) neergelegde voorwaarden. Gezien het aantal dossiers waarin onregelmatigheden zijn geconstateerd en de consequenties die daaruit voortvloeien heeft het Uwv bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de erkenning van [B.V.] als jobcoachorganisatie onvoorwaardelijk in te trekken en is een onvoorwaardelijke intrekking van de erkenning niet in strijd met artikel 3:4 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/3

Uitspraak

12/4621 WWAJ

Datum uitspraak: 3 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2012, 12/1554 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Naam B.V.] ([B.V.]), kantoorhoudende te [plaatsnaam] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens [B.V.] heeft mr. M.J.W. Hoek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

[B.V.] is op 7 mei 2014 in staat van faillissement verklaard met benoeming van

[Appellant] tot curator. De curator heeft de onderhavige procedure op grond van artikel 8:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 27 van de Faillissementswet van [B.V.] overgenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2014. De curator heeft zich laten vertegenwoordigen door kantoorgenoot [naam kantoorgenoot K.]. Op verzoek van de curator zijn als getuige ter zitting gehoord [naam getuige D.] ([D.]), wonende te [woonplaats] voormalig leidinggevende van [B.V.], en G.H.M. [G.] ([G.]), wonende te [woonplaats] statutair bestuurder van [B.V.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma en drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft het Uwv [B.V.] erkend als jobcoachorganisatie als bedoeld in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van het Re-integratiebesluit. Statutair bestuurder van [B.V.] is [G.], die samen met haar echtgenoot [D.] [B.V.] exploiteerde.

1.2.

Naar aanleiding van rond augustus 2011 ontvangen signalen dat [B.V.] oneigenlijk gebruik zou maken van de jobcoachvoorziening is het Uwv een onderzoek gestart, waarbij onder meer cliënten van [B.V.], voor haar werkende jobcoaches, werkbegeleiders en inleners zijn gehoord, cliëntendossiers zijn geraadpleegd en is gesproken met het echtpaar [D.] en [G.]. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in rapporten van 7 oktober 2011,

23 november 2011 en 16 december 2011. Het Uwv heeft op basis van deze onderzoeksresultaten geconcludeerd dat [B.V.] niet meer voldeed aan de in de Regeling erkenningscriteria voor jobcoachorganisaties (Erkenningsregeling) neergelegde voorwaarde dat voldaan moet worden aan de eisen van de Beleidsregels Protocol Jobcoach 2007, die met een tussentijdse bijstelling zijn aangepast per 1 oktober 2008 (Protocol 2008).

1.3.

Onder verwijzing naar het verrichte onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 december 2011 de erkenning van [B.V.] als jobcoachorganisatie per die datum ingetrokken. Het Uwv heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat [B.V.] onjuiste informatie heeft verstrekt aan het Uwv en dat zij gedurende een lange periode te veel uren heeft gedeclareerd die zij niet kan verantwoorden.

2. [B.V.] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 december 2011. Bij besluit van

16 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [B.V.] tegen het besluit van 8 december 2011 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [B.V.] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Protocol 2008 op de juiste wijze bekendgemaakt is en daarom van toepassing was op de wijze van declareren door [B.V.]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat [B.V.] uren heeft gedeclareerd die geen reële jobcoachuren zijn geweest en dat [B.V.] ten onrechte jobcoachuren heeft gedeclareerd op grond van het aantal uren in de arbeidsovereenkomst en niet op basis van het aantal uren dat werd gewerkt, als gevolg waarvan [B.V.] in strijd met het Protocol 2008 uren heeft gedeclareerd. De rechtbank is niet gebleken dat de werkwijze van [B.V.] werd getolereerd door medewerkers van het Uwv. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan volgens de rechtbank niet slagen, nu het Uwv ter zitting heeft verklaard dat er met betrekking tot andere jobcoachorganisaties nog onderzoeken lopen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in redelijkheid van de bevoegdheid om de erkenning van [B.V.] als jobcoachorganisatie in te trekken gebruik kunnen maken. Gezien het aantal dossiers waarin onregelmatigheden zijn geconstateerd en de consequenties die hieruit voortvloeien is de rechtbank van oordeel dat intrekking van de erkenning niet in strijd is met artikel 3:4 van de Awb.

4. In hoger beroep heeft [B.V.] ten aanzien van de gestelde onregelmatigheden (gedeclareerde uren versus geleverde uren) en de vraag welk jobcoachprotocol van toepassing was verwezen naar hetgeen daarover in bezwaar en beroep is opgemerkt. [B.V.] heeft betoogd dat de onvoorwaardelijke intrekking van de erkenning onevenredig bezwarend is. In dat kader heeft [B.V.] gesteld dat uit de stukken blijkt dat de arbeidsdeskundige van het Uwv een belangrijke rol heeft gespeeld in de werkwijze van [B.V.], dat uit het jobcoachprotocol blijkt dat de arbeidsdeskundige uit hoofde van de hem toekomende beleidsvrijheid de bevoegdheid had om deze doorslaggevende rol te spelen en van die beleidsvrijheid ook gebruik heeft gemaakt, en dat de werkwijze van [B.V.] algemeen gebruikelijk was.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt verwezen naar onderdelen 1.1 tot en met 1.4 van de aangevallen uitspraak.

5.2.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om de erkenning van [B.V.] als jobcoachorganisatie in te trekken, nu de bevoegdheid om een rechtspersoon te erkennen als jobcoachorganisatie tevens de bevoegdheid inhoudt om die erkenning in te trekken als niet meer wordt voldaan aan de tot erkenning strekkende eisen, waaronder het voldoen aan de eisen van protocol 2008. Dit oordeel wordt onderschreven.

5.3.

Met betrekking tot de door het Uwv gestelde onregelmatigheden en de vraag welk jobcoachprotocol van toepassing was, wordt verwezen naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen in de aangevallen uitspraak. Het oordeel van de rechtbank op deze punten wordt onderschreven. De door de getuigen ter zitting afgelegde verklaringen over de (wijze van) intrekking van de erkenning geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Daarmee staat vast dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [B.V.] in strijd met het Protocol 2008 en de Erkenningsregeling heeft gehandeld.

5.4.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of het Uwv in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid de erkenning van [B.V.] in te trekken. [B.V.] heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat de werkwijze van [B.V.] met betrekking tot het verantwoorden en afrekenen van uren door (arbeidsdeskundigen van) het Uwv werd getolereerd. Ten aanzien van de door [B.V.] in dat kader genoemde voorbeelden geldt dat het Uwv in het verweerschrift overtuigend heeft betwist dat de arbeidsdeskundigen op de hoogte waren van de door [B.V.] gehanteerde werkwijze van declareren van jobcoachuren. [B.V.] wordt voorts niet gevolgd in de stelling dat de arbeidsdeskundige van het Uwv uit hoofde van de hem toekomende beleidsvrijheid de bevoegdheid had om een doorslaggevende rol te spelen bij de werkwijze van [B.V.] en van die beleidsvrijheid ook gebruik heeft gemaakt. Het Uwv heeft op dit punt terecht verwezen naar de preambule van Protocol 2008, waarin onder meer is vermeld dat Uwv en jobcoachorganisatie zich conformeren aan de afspraken van het protocol en elkaar daar op kunnen aanspreken. Uit het Protocol 2008 blijkt bovendien dat de beleidsvrijheid waarop [B.V.] doelt niet ziet op de wijze van verantwoording en afrekening van verrichte werkzaamheden, maar op de mogelijkheid van de arbeidsdeskundige om af te wijken van de begeleidingsregimes zoals die zijn vermeld in Protocol 2008. Ten aanzien van de stelling van [B.V.] dat de werkwijze van [B.V.] algemeen gebruikelijk was, heeft het Uwv toegelicht dat er onderzoeken lopen naar andere jobcoachorganisaties en dat als daaruit blijkt van onregelmatigheden in de verantwoording en facturering van jobcoachuren, het Uwv evenzeer tot handhaving zal overgaan. Uit het feit dat andere jobcoachorganisaties geen sancties zijn opgelegd, volgt niet dat het Uwv met de onderhavige intrekking in strijd met de Awb heeft gehandeld. Voor zover [B.V.] beoogt te betogen dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel slaagt die grond niet nu [B.V.] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Uwv in overeenkomstige gevallen intrekking van erkenning achterwege heeft gelaten.

5.5.

Gelet op hetgeen in 5.4 is overwogen en gezien het aantal dossiers waarin onregelmatigheden zijn geconstateerd en de consequenties die daaruit voortvloeien heeft het Uwv bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de erkenning van [B.V.] als jobcoachorganisatie onvoorwaardelijk in te trekken en is een onvoorwaardelijke intrekking van de erkenning niet in strijd met artikel 3:4 van de Awb. Ook op dit punt geven de door de getuigen ter zitting afgelegde verklaringen geen aanleiding tot een ander oordeel.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) W. de Braal

JvC