Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13-240 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Ingangsdatum van de toegenomen arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding is eerder dan met ingang van 1 januari 2009 toegenomen beperkingen voor appellant aan te nemen. 2) Weigering om terug te komen van eerder genomen besluit, waarbij de WAO-uitkering van appellant is herzien. De inmiddels gestelde diagnose acromegalie is een nieuw feit. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk en overtuigend geconcludeerd dat in de ingediende informatie van de behandelend internist-endocrinoloog geen aanknopingspunten kunnen worden aangetroffen voor het standpunt dat appellant meer beperkt was ten aanzien van het verrichten van arbeid dan destijds door het Uwv aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/240 WAO, 14/844 WAO

Datum uitspraak: 5 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van

29 november 2012, 12/697 (aangevallen uitspraak 1) en van de rechtbank Noord-Holland van 5 februari 2014, 13/834 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 24 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Hopman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

Aangevallen uitspraak 1 (13/240 WAO)

1.1.

Appellant is in september 1994 wegens psychische klachten en rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als betonijzervlechter, in verband waarmee hij sinds september 1995 in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Sinds 2001 werkt appellant als zelfstandige, laatstelijk - sinds 2005 - als zelfstandig rijwielhersteller, waarbij de inkomsten met toepassing van artikel 44 van de WAO worden gekort op zijn WAO-uitkering. Bij besluit van

12 december 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van

13 februari 2006 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 8 september 2011 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv in verband met een onlangs bij hem geconstateerde tumor, waardoor hij minder is moeten gaan werken. Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft het Uwv geweigerd om de

WAO-uitkering van appellant te verhogen.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 15 februari 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2011 gegrond verklaard. Vanaf 1 januari 2009 is sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanuit dezelfde ziekteoorzaak. Met ingang van 29 januari 2009 wordt appellant een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Over de periode van 29 januari 2009 tot 1 januari 2010 worden de inkomsten uit zijn werk als zelfstandig rijwielhersteller gekort op de

WAO-uitkering, hetgeen heeft geleid tot een lagere uitbetaling van die uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank vooropgesteld dat tussen partijen niet langer in geschil is dat er een mogelijk oorzakelijk verband bestaat tussen de rugklachten van appellant en de bij hem vastgestelde acromegalie en dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als op grond waarvan appellant reeds een WAO-uitkering was toegekend die per 13 februari 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank heeft het beroep dat slechts was gericht tegen de ingangsdatum van de verhoging van de WAO-uitkering, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv de datum van de toegenomen arbeidsongeschiktheid gelet op de voorhanden medische informatie op goede gronden - door de laattijdige melding van appellant - enigszins arbitrair heeft kunnen vaststellen op 1 januari 2009. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 februari 2012 naar voren komt dat bij de retrospectieve benadering betrokken is de informatie van de behandelend specialist dr. Simsek. Uit diens brief van 3 november 2011 kan echter niet worden afgeleid in welke mate ook al voor 1 januari 2009 sprake was van toegenomen beperkingen. Ook de in beroep ingediende brief van 21 augustus 2012 van de internist-endocrinoloog dr. Biermasz is door de rechtbank meegewogen, maar heeft haar niet tot een ander oordeel gebracht. De rechtbank heeft daarbij het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 september 2012 gevolgd. Zij heeft vastgesteld dat dr. Biermasz slechts in algemene termen het ziektebeeld van appellant heeft beschreven zonder dat sprake is van een voldoende objectief medische vaststelling dat de arbeidsongeschiktheid van appellant eerder is ingetreden dan 1 januari 2009. De door het Uwv gekozen datum van

1 januari 2009 sluit naar het oordeel van de rechtbank ook aan bij wat appellant daarover op 24 november 2011 heeft verklaard tegenover de verzekeringsarts, namelijk dat hij de laatste jaren - ongeveer sedert 2009 - vanwege de vermoeidheidsproblematiek en de rug-, been- en handklachten steeds meer problemen ondervond om zijn werkzaamheden vol te houden en dat uiteindelijk zijn gezin steeds meer moest bijspringen om de zaak draaiende te houden. Ten slotte heeft de rechtbank in dat licht mede van belang geacht dat ook de inkomsten van appellant uit zijn werkzaamheden als zelfstandige geen directe aanleiding geven de gekozen datum van 1 januari 2009 voor onjuist te houden.

3. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat de ingangsdatum van de toegenomen arbeidsongeschiktheid ten onrechte door het Uwv is gesteld op 1 januari 2009. Steun voor zijn standpunt zoekt appellant in een e-mailbericht van dr. Biermasz van

30 januari 2013. Ook heeft appellant gewezen op een gebrek in de besluitvorming over de herziening van zijn WAO-uitkering per 13 februari 2006. Appellant is toen niet gezien door een verzekeringsarts, maar door een arts.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Ingevolge artikel 39a, eerste lid, van de WAO vindt ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, herziening steeds plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet eerder dan 1 januari 2009 voor een volledige WAO-uitkering in aanmerking komt. Op basis van dossieronderzoek, eigen onderzoek en met meewegen van de beschikbare gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 6 februari 2012 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding is eerder dan met ingang van 1 januari 2009 toegenomen beperkingen voor appellant aan te nemen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de informatie van de behandelend specialisten dr. Simsek en dr. Biermasz niet tot een ander oordeel leiden, nu deze geen inzicht verschaffen in de beperkingen van appellant voor 1 januari 2009. Het door appellant in hoger beroep ingediende e-mailbericht van dr. Biermasz van 30 januari 2013 leidt evenmin tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 12 februari 2013 op deze informatie gereageerd en concludent en inzichtelijk uiteengezet dat deze informatie niet leidt tot de conclusie dat bij appellant reeds voor 1 januari 2009 sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Ten slotte wordt overwogen dat het gestelde gebrek in de besluitvorming die heeft geleid tot het in rechte vaststaande besluit van 12 december 2005, buiten de omvang van dit geding valt.

Aangevallen uitspraak 2 (14/844 WAO)

5.1.

Bij brief van 3 september 2012 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van zijn besluit van 12 december 2005, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 februari 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Volgens appellant is de inmiddels bij hem gestelde diagnose acromegalie een nieuw feit, dat, indien het destijds in 2005 bekend was geweest, had geleid tot een andere medische beoordeling en tot een hogere uitkering.

5.2.

Na een verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van

18 oktober 2012 geweigerd terug te komen van zijn besluit van 12 december 2005. Van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn, is geen sprake.

5.3.

Bij beslissing op bezwaar van 19 maart 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2012 ongegrond verklaard.

5.4.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat de diagnose van acromegalie weliswaar een nieuw feit is dat ten tijde van het besluit van 12 december 2005 nog niet bekend was, maar dat het Uwv heeft kunnen concluderen dat appellant in 2005 niet meer beperkt was dan toen is aangenomen. Dat de rugklachten destijds zijn gediagnosticeerd als lumbago en houdingsklachten terwijl nu de diagnose acromegalie is gesteld, doet hieraan niet af. Uit de ingediende informatie van 21 augustus 2012 en 30 januari 2013 van dr. Biermasz blijkt niet dat appellant ten tijde van de beoordeling in 2005 meer beperkingen ondervond dat destijds aangenomen.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de bij hem gestelde diagnose acromegalie zwaardere beperkingen horen dan bij de destijds in 2005 gestelde gelegenheidsdiagnose lumbago. Hierdoor zijn de destijds aan de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 13 februari 2006 ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend voor appellant.

6.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.2.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellant van

3 september 2012 terecht heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 december 2005, voor zover daarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van

13 februari 2006 is herzien en in dat kader toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6.3.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in dat geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

6.4.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de gestelde diagnose acromegalie een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is. Dus ligt in dit geding de vraag ter beantwoording voor of het Uwv daarin aanleiding had behoren te zien om terug te komen van zijn besluit van

12 december 2005.

6.5.

In haar rapport van 4 maart 2013 heeft dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend geconcludeerd dat in de ingediende informatie van de behandelend internist-endocrinoloog dr. Biermasz geen aanknopingspunten kunnen worden aangetroffen voor het standpunt dat appellant ook reeds op 13 februari 2006 meer beperkt was ten aanzien van het verrichten van arbeid dan destijds door het Uwv aangenomen. De Raad ziet evenmin als de rechtbank aanleiding om dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

Conclusies

7. Uit het voorgaande vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken 1 en 2 dienen te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Crum

MK