Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13-688 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WGA-uitkering. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van financieel of sociaal onaanvaardbare gevolgen. Geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het terugvorderingsbesluit heeft geen punitief karakter krijgt. De in geding zijnde toepassing van artikel 77 WIA is reparatoir van karakter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/688 WIA

Datum uitspraak: 5 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

11 januari 2013, 12/790 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A. Hoogeveen, werkzaam bij Scheers Groep Juristen en Belastingadviseurs, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een schadestaat ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2014. Namens appellant is verschenen mr. Hoogeveen en diens kantoorgenoot A.R.G. Scheers AA. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 9 februari 2007 ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant geniet naast de WGA-uitkering inkomsten uit een vennootschap onder firma.

1.2.

Bij brief van 16 december 2010 heeft het Uwv appellant verzocht een opgave te verstrekken van de hoogte van zijn zelfstandige verdiensten sedert 1 januari 2007.

1.3.

In verband met appellants melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2011 de mate van arbeidsongeschiktheid herzien en met ingang van 1 december 2008 vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%. Tevens is aan appellant medegedeeld dat de opgave van zijn inkomsten uit arbeid vanaf 2007 is ontvangen, dat zijn uitkering waarschijnlijk vanaf 9 februari 2007 niet meer tot uitbetaling komt en dat om die reden de betaling van de uitkering met ingang van 1 februari 2011 wordt geschorst.

1.4.

Bij besluit van 4 november 2011 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant herzien met ingang van 1 februari 2009 en bij besluit van 7 november 2011 heeft het Uwv over de periode van 9 februari 2007 tot 1 september 2011 een bedrag van € 57.245,11 (bruto) aan onverschuldigd betaalde uitkering van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 9 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 november 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat niet door appellant is bestreden dat hij in de relevante periode inkomsten heeft gehad, die gevolgen hebben voor zijn uitkering en dat hij evenmin de juistheid van de hoogte van het terugvorderingsbedrag heeft bestreden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. De omstandigheid dat het Uwv een aantal jaren heeft laten verstrijken, alvorens tot (herziening van de uitbetaling en) terugvordering over te gaan kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het aannemen van een dringende reden als bedoeld artikel 77 van de Wet WIA. Ook is de rechtbank niet gebleken dat de herziening zal leiden tot een financiële noodsituatie, zodat geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Naar de mening van appellant heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten de door hem gestelde belastingschade bij de beoordeling te betrekken.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA dient het Uwv een uitkering die onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Op grond van het vierde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv over de onder 1.4 genoemde periode onverschuldigd aan appellant een bedrag aan WGA-uitkering heeft betaald. Appellant betwist evenmin de hoogte van de terugvordering. Aan de orde is slechts de vraag of het Uwv gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 77, vierde lid, van de Wet WIA om vanwege dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 15 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1802, kan van dringende redenen blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel slechts sprake zijn indien de terugvordering in een concrete situatie onaanvaardbare consequenties voor de betrokkene zou hebben. Er moet dan iets bijzonders en uitzonderlijk aan de hand zijn op grond waarvan een incidentele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt. Van dergelijke omstandigheden is de Raad in dit geval niet gebleken. De door appellant gestelde belastingschade, daargelaten wat daar verder van zij, kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt (vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 11 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT1576). Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van financieel of sociaal onaanvaardbare gevolgen. Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen dringende redenen aanwezig zijn op grond waarvan zij geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.4.

De ter zitting ingenomen stelling dat het terugvorderingsbesluit tot gevolg heeft dat appellant belastingschade lijdt en dat het besluit dientengevolge een punitief karakter krijgt, kan de Raad niet volgen. De in geding zijnde toepassing van artikel 77 van de Wet WIA is reparatoir van karakter. Met het besluit wordt de uitkeringssituatie van appellant in overeenstemming met de wet gebracht. Van enige leedtoevoeging is geen sprake. De stelling van appellant gebaseerd op het uitgangspunt dat het besluit punitief van aard is faalt reeds hierom.

5. Gelet op de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Crum

MK