Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13-6571 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische ern arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6571 WIA

Datum uitspraak: 5 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

31 oktober 2013, 11/3213 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.H. Stibbe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Stibbe. Tevens was aanwezig de door appellant meegebrachte tolk Z. Hamidi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Naar aanleiding van de ziekmelding van appellant van 26 januari 2009 en zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van 20 oktober 2010 heeft het Uwv appellant bij besluit van 22 maart 2011 meegedeeld dat voor hem met ingang van 24 januari 2011 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 31 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat naar haar oordeel sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Gelet op de in het dossier aanwezige medische stukken is de rechtbank van oordeel dat deze verzekeringsarts de beperkingen van appellant op juiste wijze heeft weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 september 2011. De rechtbank heeft ten slotte de in de voorgehouden functies voorkomende signaleringen afdoende toegelicht geacht.

2.1.

In hoger beroep heeft appellant opnieuw naar voren gebracht dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was in verband met de taalbarrière. De medische beoordeling is onvoldoende onderbouwd nu de verzekeringsarts slechts summier psychisch onderzoek heeft verricht. Met name is onvoldoende rekening gehouden met de angstklachten van appellant.

3.1.

De Raad oordeelt als volgt.

3.2.

Terecht en op juiste gronden heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de grond dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, gelet op de matige beheersing van de Nederlandse taal door appellant, waardoor de verzekeringsarts onmogelijk een goed beeld heeft kunnen krijgen van de psychische beperkingen van appellant, besproken en gemotiveerd weerlegd onder overweging 4.2. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat deze grond niet slaagt. De medische beoordeling is niet enkel gebaseerd op informatie die appellant mondeling heeft verstrekt aan de verzekeringsarts maar, zo blijkt ook uit het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep, vooral op de informatie vanuit de behandelende sector. Bovendien was er een tolk aanwezig bij de hoorzitting en is appellant zowel in de bezwaar- als in de beroepsprocedure bijgestaan door mr. Stibbe, die namens appellant één en ander heeft kunnen aanvoeren. Het argument van appellant dat het onderzoek door de verzekeringsarts tevens onzorgvuldig was vanwege de korte duur van het onderzoek, slaagt evenmin. De lengte van het onderzoek is geen criterium voor de zorgvuldigheid van het onderzoek. De verzekeringsarts heeft, zo blijkt uit het rapport van 17 februari 2011, psychisch onderzoek verricht en bovendien nadere informatie verkregen van I-psy en de behandelend neuroloog, welke informatie hij heeft meegenomen bij de beoordeling.

3.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van de ingediende informatie van de behandelaars bij Arkin/PuntP van 23 augustus 201en Pro InSight/Shared Ambition van 25 maart 2011. Zij heeft, op basis van alle voorhanden medische stukken en haar bevindingen tijdens de hoorzitting, aanleiding gezien tot bijstelling van de FML. De vertaling van de medische diagnoses in beperkingen voor arbeid behoort tot de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts. Nu zij bovendien afdoende heeft toegelicht waarom zij tot deze aanpassingen is gekomen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de FML van 15 september 2011. De in hoger beroep ingediende stukken van de huisarts en behandelend psychiater K.B.M. Riedewald doen niet af aan de juistheid van de FML. Voorzover deze stukken nieuwe informatie bevatten, ziet deze informatie niet op de datum in geding van 24 januari 2011, zoals ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 20 oktober 2014 heeft vastgesteld.

3.3.

Terecht ook heeft de rechtbank overwogen dat de belasting in de voorgehouden functies de functionele mogelijkheden van appellant niet overschrijdt.

3.4.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Crum

NK