Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13-2574
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:3027, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking nabestaandenuitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2574 ANW

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

25 april 2013, 12/1602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.P. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren op [datum] 1954. Op 5 juli 2008 is haar echtgenoot overleden. Hierop heeft de Svb met ingang van juli 2008 aan appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend, omdat appellante meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling van appellantes aanspraken heeft de Svb op

7 april 2011 aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Het advies, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek, houdt in dat appellante niet arbeidsongeschikt is. Appellante heeft weliswaar fysieke en psychische beperkingen, maar wordt hiermee in staat geacht de voor haar geselecteerde functies te verrichten. Op grond hiervan heeft de Svb bij besluit van 15 juni 2011 appellante ervan in kennis gesteld dat zij vanaf 1 juni 2011 geen recht heeft op een nabestaandenuitkering wegens arbeidsongeschiktheid omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.3.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij onder meer gesteld dat geen rekening is gehouden met haar maagproblemen en de wellicht daarmee samenhangende duizeligheids- en misselijkheidsklachten. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met de klachten ten gevolge van de bij haar geconstateerde artrose. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft appellante een aantal medische stukken ingebracht. Appellante acht zich niet in staat de voor haar geselecteerde functies te verrichten.

1.4.

Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft zich na dossierstudie kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts bij appellante vastgestelde beperkingen. Vervolgens is er een rapport uitgebracht door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellante met de vastgestelde beperkingen in passende functies een zodanig inkomen kan verdienen dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ANW. Vervolgens heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 22 maart 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 juni 2011 gegrond verklaard in zoverre dat de nabestaandenuitkering eerst met ingang van 1 november 2011 wordt ingetrokken, omdat de uitlooptermijn niet in acht was genomen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geen reden gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de Svb dat bij appellante op de datum in geding geen sprake was van arbeidsongeschiktheid van meer dan 45%. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op een toereikende medische grondslag. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de geschiktheid van de geduide functies voldoende gemotiveerd was.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Appellante stelt dat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat betreft de medische grondslag geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts van het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 mei 2011. De informatie van de behandelend sector is betrokken bij het onderzoek en de visie van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) daarover kan worden gevolgd. In dit verband wordt overwogen dat de rapporten van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn als bedoeld in de uitspraak van de Raad van

15 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW9297). Voorts wordt van belang geacht dat appellante in hoger beroep geen objectieve medische gegevens heeft overgelegd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de bij voornoemde FML vastgestelde functionele mogelijkheden. De stelling dat geen specifiek onderzoek is gedaan naar de duizeligheidsklachten en de energetische mogelijkheden van appellante wordt niet gevolgd. In beroep is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 3 januari 2013 ingegaan op de gestelde duizeligheidsklachten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden deze klachten niet geobjectiveerd, is er geen behandeling daarvoor en worden de dagelijkse activiteiten van appellante daardoor niet belemmerd. Er zijn geen aanknopingspunten om deze beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Verder worden er geen aanknopingspunten gezien om appellante te volgen in haar stelling dat haar energetische mogelijkheden onvoldoende zijn onderzocht. Er zijn geen medische stukken ingebracht die het verrichten van een verdergaand onderzoek noodzakelijk maken.

4.2.

Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies.

4.3.

Het onder 4.1 en 4.2 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) J.C. Hoogendoorn

RH