Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13-1508
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:1352, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:3871, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kroatische uitkering in mindering op de WAO-uitkering. Appellant was gehouden om elke verandering in zijn persoonlijke omstandigheden en alle feiten die van invloed zijn op zijn recht of de omvang van dat recht te melden, waaronder het sluiten van arbeidsovereenkomsten en het aangaan van zelfstandige activiteiten op grond waarvan hij zelf verzekerd zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1508 WAO, 13/1509 WAO

Datum uitspraak: 3 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Breda van

26 oktober 2012 en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

22 februari 2013, 11/5739, 11/5740 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 20 november 2000 is aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Vanaf 8 november 2007 heeft appellant ook recht op een uitkering op grond van een Kroatisch invaliditeitspensioen.

1.2.

Bij besluiten van 3 en 4 augustus 2010 heeft het Uwv het Kroatische invaliditeitspensioen vanaf 8 november 2007 in mindering gebracht op de WAO-uitkering van appellant en de als gevolg hiervan teveel betaalde uitkering over de periode van 8 november 2007 tot

1 augustus 2010 ten bedrage van € 17.185,66 van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd van € 1.720,- vanwege schending van zijn inlichtingenplicht.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Het Uwv heeft dit bezwaar bij twee afzonderlijke beslissingen op bezwaar ongegrond verklaard. In een eerdere procedure heeft de rechtbank Amsterdam deze beslissingen vernietigd en het Uwv opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. In navolging van deze uitspraak heeft het Uwv informatie ingewonnen bij het Kroatische orgaan voor sociale zekerheid over de Kroatische uitkering van appellant. Vervolgens heeft het Uwv bij twee besluiten van 12 oktober 2011 (bestreden besluiten 1 en 2) het bezwaar tegen voornoemde besluiten wederom ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank gebreken vastgesteld in de bestreden besluiten 1 en 2 en het Uwv in de gelegenheid gesteld deze gebreken te herstellen. Hiertoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.

2.1.

Kern van het geschil is de vraag of er sprake is van samenloop van uitkeringen zoals bedoeld in artikel 65 van de WAO gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en Wet WIA-uitkeringen met uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid (Besluit). Van samenloop is sprake als een verzekerde naast zijn WAO-uitkering een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid ingevolge de sociale wetgeving van een ander land ontvangt.

2.2.

Niet in geschil is dat appellant arbeidsongeschikt is vanwege lichamelijke en psychische klachten als gevolg van zijn deelname aan de oorlog in Bosnië en Herzegovina en dat appellant op grond hiervan zowel in Nederland als in Kroatië een uitkering is toegekend. Partijen zijn verdeeld over de aard van de uitkering die appellant uit Kroatië ontvangt.

2.3.

De enkele mededeling in bestreden besluit 1 dat de uitkering uit Kroatië een wettelijke uitkering is en geen schadevergoeding acht de rechtbank onvoldoende, zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Zelf voorziend heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat het Uwv uit de informatie van het Kroatisch orgaan voor de sociale zekerheid, en meer in het bijzonder uit de toekenningsbeslissing van 11 november 2008 van het Kroatisch instituut van pensioenverzekering (toekenningsbeslissing), terecht heeft kunnen afleiden dat aan appellant een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid voor professionele arbeid is toegekend, zodat het gaat om een loondervingsuitkering. Bovendien volgt uit de aanhef van de toekenningsbeslissing dat sprake is van een uitkering op basis van sociale wetgeving. Hiermee is alsnog voldoende onderbouwing gegeven voor het standpunt van het Uwv dat appellant een wettelijke uitkering uit Kroatië ontvangt en geen schadevergoeding. Het Uwv was daarom op grond van artikel 1 van het Besluit gehouden om de WAO-uitkering van appellant te verlagen met de Kroatische arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2.4.

Desalniettemin heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de Kroatische uitkering over de periode van 8 november 2007 tot 31 oktober 2008 ten onrechte heeft gekort op de

WAO-uitkering van appellant. Weliswaar had appellant met ingang van 8 november 2007 recht op de Kroatische uitkering, maar in de toekenningsbeslissing is ook bepaald dat deze uitkering over genoemde periode vooralsnog niet zou worden uitbetaald. Van samenloop van uitkeringen in de zin van artikel 1 van het Besluit was in genoemde periode daarom feitelijk geen sprake.

2.5.

Over de opgelegde boete heeft de rechtbank overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen en moeten zijn dat de Kroatische uitkering van invloed zou kunnen zijn op zijn WAO-uitkering. Het niet melden van deze uitkering is een ernstige overtreding van de inlichtingenverplichting, waarvan appellant objectief en subjectief een verwijt treft. Nu het benadelingsbedrag evenwel onjuist is vastgesteld, is ook de hoogte van de boete onjuist vastgesteld, zodat bestreden besluit 2 daarom evenmin stand kan houden.

3.1.

Ter uitvoering van de aangevallen tussenuitspraak heeft het Uwv bij besluit van

15 november 2012 (bestreden besluit 3) het terugvorderingsbedrag over de periode van

1 november 2008 tot 1 augustus 2010 gewijzigd vastgesteld op € 11.163,62 en het boetebedrag nader vastgesteld op € 1.120,-. Het bezwaar tegen de in 1.2 en 1.3 genoemde besluiten heeft het Uwv in zoverre alsnog gegrond verklaard.

3.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv met bestreden besluit 3 de gebreken, die kleefden aan de bestreden besluiten 1 en 2, heeft hersteld, en vervolgens de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van deze besluiten, zoals gewijzigd bij bestreden besluit 3, in stand blijven.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat er geen sprake is van samenloop zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit zodat zijn Kroatische uitkering ten onrechte is gekort op zijn WAO-uitkering. Volgens appellant betreft de Kroatische uitkering geen uitkering zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit maar een schadevergoeding voor lichamelijke schade opgelopen in de oorlog, die ook ingeval geen sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid aan appellant zou zijn toegekend.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten 1 en 2, zoals gewijzigd bij bestreden besluit 3, in stand blijven. Kern van het geschil is ook in hoger beroep of er sprake is van samenloop van uitkeringen zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit.

5.2.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen tussenuitspraak. Daarom wordt nog toegevoegd artikel 1, eerste en tweede lid, van het Besluit dat luidt:

1. Bij samenloop over eenzelfde tijdvak van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met één of meer van de navolgende ingevolge de sociale wetgeving van één of meer andere mogendheden toegekende uitkeringen:

a. uitkering wegens arbeidsongeschiktheid;

(…)

wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald indien en voor zover deze het totale bedrag van de onder a tot en met c bedoelde uitkeringen overtreft.

2. Bij de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt met een in dat lid onder a bedoelde uitkering slechts rekening gehouden indien en voor zover deze is verleend ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid als de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank en de uitgebreide overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Ook hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Kroatische uitkering een schadevergoeding zou betreffen in plaats van een wettelijke uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit. Hieraan wordt nog toegevoegd dat ook uit de toekenningsbeschikking van de Kroatische uitkering volgt dat appellant was gehouden om elke verandering in zijn persoonlijke omstandigheden en alle feiten die van invloed zijn op zijn recht of de omvang van dat recht te melden, waaronder het sluiten van arbeidsovereenkomsten en het aangaan van zelfstandige activiteiten op grond waarvan hij zelf verzekerd zou zijn. Ook deze verplichting doet afbreuk aan de stelling dat de Kroatische uitkering een schadevergoeding betreft.

5.4.

De stelling, dat appellant ook een uitkering zou hebben gekregen indien hij wel lichamelijk letsel had opgelopen en niet arbeidsongeschikt was geweest, is niet nader toegelicht noch onderbouwd. Deze situatie is ook niet aan de orde. Uit de toekenningsbeslissing blijkt immers dat appellant wel 100% arbeidsongeschiktheid is geacht op 8 november 2007 als gevolg van verwondingen opgelopen tijdens de oorlog in Bosnië en Herzegovina en dat hij onder meer daarom voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van het recht op een invaliditeitsuitkering. Deze grond slaagt dan ook niet.

5.5.

Uit hetgeen is overwogen in 5.3 en 5.4 vloeit voort dat het Uwv terecht de Kroatische uitkering in mindering heeft gebracht op de WAO-uitkering van appellant. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd voor zover aangevochten.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) W. de Braal

TM