Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
12-4967
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de door Dautzenberg en Heemstra uitgebrachte adviezen. De combinatie van een scootmobiel en het collectief vervoer biedt appellante de gelegenheid om, afhankelijk van het weertype en haar fysieke gesteldheid en zo nodig voorzien van een schootskleed, zich te verplaatsen met de scootmobiel of om gebruik te maken van het collectief vervoer voor haar verplaatsingen buitenshuis. De adviezen van Dautzenberg en Heemstra bieden dan ook een toereikende grondslag voor de in het bestreden besluit neergelegde afwijzing van de aanvraag om een gesloten buitenwagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4967 WMO

Datum uitspraak: 3 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van
27 juli 2012, 11/1473 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2014. Namens appellante is verschenen mr. N.J.M. Kammers, kantoorgenoot van mr. Jaminon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Os.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om met elkaar in onderhandeling te treden.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2014. Namens appellante is verschenen mr. R. Engwegen, kantoorgenoot van mr. Jaminon. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is bekend met pijnklachten in het hele lichaam en met energetische beperkingen ten gevolge van hart- en longlijden. Appellante ondervindt hierdoor beperkingen bij het zich verplaatsen. In verband hiermee beschikt appellante over een scootmobiel in combinatie met het gebruik van het collectief vervoer (Regiotaxi).

1.2.

Op 11 augustus 2010 heeft appellante een aanvraag gedaan bij het college om een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van een gesloten buitenwagen. Appellante heeft aangegeven dat zij bij koude en bij vochtig en regenachtig weer geen gebruik kan maken van de scootmobiel, omdat zij dan veel pijnklachten ervaart.

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft medisch adviseur M.J.M. de Klaver van SCIO Consult op 15 september 2010 een medisch advies uitgebracht waarin zij adviseert om een gesloten buitenwagen aan appellante te verstrekken in verband met de toegenomen klachten van appellante bij kou, wind en regen.

1.4.

Bij besluit van 25 november 2010 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Het college heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de argumenten van De Klaver onvoldoende zijn om te concluderen dat appellante niet voldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen bij gebruik van het collectief vervoer in combinatie met een scootmobiel met een schootskleed.

1.5.

Naar aanleiding van het tegen het besluit van 25 november 2010 gemaakte bezwaar, heeft arts H.A.A. Dautzenberg van Argonaut Advies B.V. (Argonaut) op 24 maart 2011 een medisch advies uitgebracht, aangevuld op 3 mei 2011. Op 23 mei 2011 heeft verzekeringsarts S.J. Heemstra van Argonaut een medisch advies uitgebracht.

1.6.

Bij besluit van 20 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar onder verwijzing naar de adviezen van Dautzenberg en Heemstra ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de adviezen blijkt dat appellante niet om medische redenen is aangewezen op gesloten buitenvervoer. Appellante wordt in staat geacht om, goed gekleed tegen kou en zo nodig voorzien van een schootskleed, gebruik te maken van de scootmobiel. Ook kan zij bij koude gebruik maken van het collectief vervoer. Appellante heeft geen medisch tegenadvies overgelegd. Er is geen reden voor toepassing van de hardheidsclausule.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de adviezen van Dautzenberg en Heemstra voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Dat de adviezen afwijken van het eerdere advies van De Klaver en het college het advies van De Klaver naast zich heeft neergelegd, rechtvaardigt niet de conclusie dat de adviezen van Dautzenberg en Heemstra onzorgvuldig zijn. Verder geeft de brief van 15 februari 2012 van behandelend internist M.M.E. Krekels geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen en conclusies van Dautzenberg en Heemstra. Het college heeft de adviezen dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen en de aanvraag van appellante terecht afgewezen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat zij onvoldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen met een scootmobiel en het collectief vervoer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het college de aanvraag van appellante om een gesloten buitenwagen mocht afwijzen, omdat de combinatie van een scootmobiel met een schootskleed en het collectief vervoer de beperkingen van appellante bij het zich lokaal verplaatsen in voldoende mate compenseert.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de onderzoeken onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij niet lichamelijk is onderzocht en dat Heemstra ten onrechte geen informatie heeft ingewonnen bij haar behandelend arts. Volgens appellante is in de onderzoeken onvoldoende aandacht geschonken aan haar problematische perifere circulatie en het dreigende sociaal isolement, in welk kader appellante heeft verwezen naar een brief van 15 februari 2012 van Krekels. Ook heeft appellante gewezen op de verschillen in loopafstand - 20, 50 en 75 meter - die de afzonderlijke deskundigen hebben geconstateerd en dat zij slechts 20 meter kan lopen. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat Dautzenberg en Heemstra niet onafhankelijk zijn, dat hun onderzoeken waren gericht op afwijzing van de aanvraag om een gesloten buitenwagen en dat het college niet voorbij mocht gaan aan het advies van De Klaver.

4.3.

Uit de adviezen van Dautzenberg en Heemstra blijkt dat zij hun onderzoek hebben gebaseerd op dossieronderzoek, dat zij ieder afzonderlijk appellante hebben gezien en gesproken tijdens huisbezoeken op 18 februari 2011 en 19 mei 2011 en dat beiden lichamelijk onderzoek/observatie en oriënterend psychisch onderzoek hebben uitgevoerd. Uit het advies van Dautzenberg blijkt dat hij informatie heeft opgevraagd bij behandelend internist Krekels. Uit het advies blijkt dat Dautzenberg de mening van Krekels deelt dat appellante gevoelig is voor kou en dat dit haar klachten negatief zal beïnvloeden. Dautzenberg acht de beperkingen van appellante echter niet dusdanig dat zij bij kou met goede kleding en een schootskleed geen gebruik zou kunnen maken van haar scootmobiel. Dautzenberg heeft hierbij betrokken dat bij appellante geen sprake is van circulatieproblemen of een gestoorde temperatuurregulatie. Ook kan appellante gebruik maken van het collectief vervoer.

Heemstra heeft in zijn advies toegelicht dat geen informatie is opgevraagd bij de behandelend arts van appellante, omdat (hetero)anamnese en lichamelijk onderzoek/observatie voldoende medische gegevens hebben opgeleverd om de aandoeningen en beperkingen van appellante te kunnen vaststellen. Heemstra acht de buitentemperatuur doorgaans niet van dien aard dat appellante, zo nodig goed gekleed, geen gebruik kan maken van de scootmobiel. Ook Heemstra geeft aan dat appellante in de wintermaanden gebruik kan maken van het collectief vervoer, mits zij bij het in- en uitstappen wordt geholpen.

4.4.

Het is de Raad niet gebleken dat de medische adviezen van Dautzenberg en Heemstra in verband met de wijze van totstandkoming onzorgvuldig zijn te achten. De adviezen bieden geen steun voor het standpunt van appellante dat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Verder is in het advies van Heemstra toegelicht waarom geen nadere informatie is ingewonnen bij de behandelend arts van appellante. Appellante heeft verder ook niet toegelicht of onderbouwd welke informatie van de behandelend sector ontbreekt. Deze grond slaagt niet.

4.5.

Voorts is het de Raad niet gebleken dat de adviezen van Dautzenberg en Heemstra geen juist beeld geven van de gezondheidstoestand van appellante. Dautzenberg heeft in zijn advies gemotiveerd aangegeven waarom hij het niet volledig eens is met het standpunt van Krekels en waarom hij appellante in staat acht om gebruik te maken van de scootmobiel en het collectief vervoer. De verwijzing door appellante naar de ook in beroep door haar overgelegde brief van 15 februari 2012 van Krekels biedt geen aanknopingspunten dat Dautzenberg hierbij onvoldoende aandacht heeft geschonken aan de perifere circulatie bij appellante. Uit deze brief blijkt immers dat de door Krekels jegens Dautzenberg geuite problematische perifere circulatie berust op een aanname van de kant van Krekels na het constateren van koude vingers en tenen bij appellante, en dat hiernaar door hem ook geen nader onderzoek is gedaan. Evenmin kan het standpunt van appellante worden gevolgd dat Dautzenberg en Heemstra in hun onderzoeken geen aandacht hebben geschonken aan de door Krekels in de brief van

15 februari 2012 geuite zorg om sociaal isolement van appellante. Uit de adviezen blijkt immers dat Dautzenberg en Heemstra aandacht hebben besteed aan dit punt en dat zij ieder afzonderlijk concluderen dat appellante weliswaar beperkingen ondervindt in het onderhouden van haar sociale contacten, maar dat geen sprake is van sociaal isolement als zij hiervoor in voldoende mate wordt gecompenseerd. Heemstra acht verder geen medische reden aanwezig om aan te nemen dat appellante in verband hiermee is aangewezen op gesloten vervoer.

4.6.

Voorts slagen de gronden van appellante tegen het gebruik van het collectief vervoer naar het oordeel van de Raad niet. Zoals in de aangevallen uitspraak is overwogen, heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat de chauffeur van de Regiotaxi appellante kan helpen bij het in- en uitstappen van de taxi en dat de chauffeur haar tot aan de deur begeleidt. Appellante heeft niet onderbouwd dat dit volgens haar in de praktijk niet gebeurt of dat zij andere problemen ondervindt bij het gebruik van de Regiotaxi. Evenmin heeft appellante gemotiveerd en onderbouwd waarom het collectief vervoer niet geschikt is voor de korte afstanden in haar situatie.

4.7.

Dat de adviezen van Dautzenberg en Heemstra afwijken van het eerder door het college bij De Klaver ingewonnen advies rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad niet de conclusie dat de adviezen van Dautzenberg en Heemstra om deze reden onzorgvuldig zijn te achten. Bovendien heeft het college in het besluit van 25 november 2010 toegelicht waarom zij het advies van De Klaver niet heeft opgevolgd. Ook kan in deze omstandigheid geen aanleiding worden gevonden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van Dautzenberg en Heemstra en is daarvan ook overigens niet gebleken.

4.8.

Concluderend is de Raad dan ook van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de door Dautzenberg en Heemstra uitgebrachte adviezen. De combinatie van een scootmobiel en het collectief vervoer biedt appellante de gelegenheid om, afhankelijk van het weertype en haar fysieke gesteldheid en zo nodig voorzien van een schootskleed, zich te verplaatsen met de scootmobiel of om gebruik te maken van het collectief vervoer voor haar verplaatsingen buitenshuis. De adviezen van Dautzenberg en Heemstra bieden dan ook een toereikende grondslag voor de in het bestreden besluit neergelegde afwijzing van de aanvraag om een gesloten buitenwagen.

4.9.

Wat hiervoor is overwogen houdt in dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) K. de Jong

NK