Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13-2254 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op bezoldiging, omdat arbeidsongeschiktheid meer dan 52 weken voortduurde. Beroepsincident? Geen feitelijke grondslag voor de conclusie dat er zodanige gebreken in het arbeidsomstandighedenbeleid bij de Dienst waren dat daardoor de werkzaamheden voor appellante een buitensporig karakter droegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2254 AW

Datum uitspraak: 4 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 15 maart 2013, 12/930 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Kamerling hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Knotter, advocaat, als opvolgend gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Poos-Oude Lenferink, J. van der Zalm en K. Klip.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1991 werkzaam bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (Dienst) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie als medewerker bedrijfsmaatschappelijk werk.

1.2.

Appellante is in 2003 uitgevallen met burn-out klachten. In verband daarmee heeft zij van 14 december 2004 tot 2 mei 2005 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. Vanaf 7 juli 2005 heeft appellante haar werkzaamheden volledig hervat. Bij brief van 7 juli 2005 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) te kennen gegeven dat werkhervatting van appellante alleen verantwoord is indien zij de helft van haar werkzaamheden vanuit huis kan verrichten en conflictsituaties zoveel mogelijk worden vermeden.

1.3.

Op 17 juli 2009 is appellante opnieuw uitgevallen met burn-out klachten.

1.4.

Bij besluit van 12 juli 2010 heeft de minister met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) per 18 juli 2010 een korting op de bezoldiging van appellante toegepast, omdat haar arbeidsongeschiktheid meer dan 52 weken voortduurde.

1.5.

Bij besluit van 1 april 2011 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden. De minister heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 37, vierde lid, van het ARAR heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken arbeidsongeschiktheid recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om te werken wordt veroorzaakt door een beroepsincident. Op grond van artikel 38a, eerste lid, van het ARAR wordt de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident. Op grond van artikel 35 van het ARAR wordt onder een beroepsziekte verstaan een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194) moeten bij de toepassing van een regeling als in geding eerst de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, worden geobjectiveerd. Naarmate de ziekte meer van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de werkomstandigheden een buitensporig karakter droegen omdat zij een te zware werkbelasting had. De leidinggevenden hebben onvoldoende gedaan na het wegvallen van collega’s van appellante. Zo stond zij er na het uitvallen van haar collega B vanwege zwangerschap en bevalling begin 2009 alleen voor. Daarnaast hebben de leidinggevenden onvoldoende ingegrepen bij het onvoldoende functioneren van haar collega HB die zich met name niets gelegen liet liggen aan de beroepscode voor bedrijfsmaatschappelijk werkers. Verder is het Uwv-advies niet in acht genomen, omdat appellante geen gelegenheid heeft gehad de helft van haar werkzaamheden vanuit huis te doen en conflictsituaties niet zijn vermeden. Onder verwijzing naar een rapport van de Stichting Bureau Beroepsziekten FNV (SBB) betoogt appellante dat er bij de Dienst geen adequaat arbeidsomstandighedenbeleid werd gevoerd. Toen appellante in een gesprek met haar leidinggevende op 16 juli 2009 de indruk kreeg dat de formatie van bedrijfsmaatschappelijk werkers werd verminderd om het afvloeien van haar niet functionerende collega HB mogelijk te maken, is er iets bij haar geknapt.

4.4.

Dat appellante is geconfronteerd met een zodanig hoge werkbelasting dat haar werkomstandigheden daardoor een buitensporig karakter droegen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft geen objectieve gegevens over de zwaarte van haar werkbelasting in geding gebracht. Alleen op basis van de forse stijging van het aantal medewerkers van de Dienst na 2001 kan niet worden geconcludeerd dat de werkbelasting van appellante buitenproportioneel was. Bovendien blijkt uit het verslag van het functioneringsgesprek met appellante op 30 september 2008 dat zij op dat moment tevreden was met haar werkpakket van zo’n 40 cliënten per jaar. Dat haar collega B na haar vertrek wegens zwangerschapsverlof begin 2009 niet volledig is vervangen, heeft evenmin geleid tot een werkbelasting met een buitensporig karakter. Het tijdelijk wegvallen van een collega is immers niet uitzonderlijk.

4.5.

Evenmin deelt de Raad het standpunt van appellante dat de omgang van haar leidinggevenden met het functioneren van haar collega HB heeft bijgedragen aan werkomstandigheden van een buitensporig karakter. De problemen van appellante met deze collega deden zich voor van 2005 tot en met 2007. In 2008 heeft deze collega nauwelijks meer gewerkt. In het functioneringsgesprek van 30 september 2008 heeft appellante te kennen gegeven dat zij terugkijkt op een goed jaar waarin goede werkafspraken zijn gemaakt. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het conflict met HB na het feitelijk beëindigen van de werkzaamheden door HB nog van invloed is geweest op haar werkomstandigheden.

4.6.

Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat haar leidinggevenden het

Uwv-advies niet hebben opgevolgd. Zij is in staat gesteld deels thuis te werken. Niet gebleken is dat haar leidinggevenden zodanige eisen aan appellante hebben gesteld dat het daardoor niet mogelijk was een deel van haar werkzaamheden thuis te verrichten. Dat appellante er niet altijd in is geslaagd invulling te geven aan het thuiswerken is veeleer het gevolg geweest van de keuzes die zijzelf heeft gemaakt. Appellante heeft zich daarbij meer laten leiden door haar grote betrokkenheid bij haar werkzaamheden en cliënten, die ook door de Dienst werd gewaardeerd, dan door haar eigen belastbaarheid. Niet gebleken is verder dat sprake is geweest van conflictsituaties met een buitensporig karakter. Met de meer dan gemiddelde individuele gevoeligheid van appellante voor conflicten, zoals uit het Uwv-advies naar voren komt, kan geen rekening worden gehouden. In dit verband verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:65, die inhoudt dat in het buitensporigheidsvereiste en de daarbij toe te passen objectivering besloten ligt dat geen rekening moet worden gehouden met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden.

4.7.

Het rapport van SBB biedt geen feitelijke grondslag voor de conclusie dat er zodanige gebreken in het arbeidsomstandighedenbeleid bij de Dienst waren dat daardoor de werkzaamheden voor appellante een buitensporig karakter droegen.

4.8.

Uit de beschrijving die appellante heeft gegeven van het gesprek met haar leidinggevende op 16 juli 2009, blijkt dat appellante haar werkomstandigheden als zwaar heeft ervaren en dat het conflict met haar collega HB voor haar belastend is geweest. Zoals de Raad echter eerder heeft overwogen, kunnen zich in elke werkomgeving voor een betrokkene minder prettige en frustrerende situaties voordoen, maar kan dit, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, niet als een buitensporige werkomstandigheid worden aangemerkt (uitspraak van 19 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO4184). Dat sprake was van factoren die in objectieve zin als buitensporig zijn te beschouwen, heeft appellante niet aangetoond.

4.9.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.W. Munneke

HD