Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13 - 2892 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op de sollicitaties van appellant als boventallige is terecht afwijzend beslist. Beide functies zijn niet passend en appellant had dus geen voorrang bij de benoeming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2892 AW, 13/3044 AW

Datum uitspraak: 4 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 mei 2013, 12/1193 en 12/3271 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76), is het college in de plaats getreden van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam (dagelijks bestuur), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van college, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het dagelijks bestuur.

Namens appellant heeft mr. drs. Chr.J.M. Scheen hoger beroep ingesteld.

Namens het college is een verweerschrift ingediend.

Het college heeft op verzoek van de Raad nog een stuk ingezonden.

Appellant heeft een nader geschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Scheen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.Th.M. van Doesum, drs. M. Knook en J.E. Piepot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 1 maart 2008 aangesteld bij het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam als Sectormanager Bestuurs- en Managementondersteuning (schaal 15). Vanwege de herindeling van de stadsdelen in 2010 heeft appellant de status van boventallige medewerker gekregen.

1.2.

Op de sollicitatie van appellant als boventallige naar de tijdelijke functie van Directeur Bedrijfsvoering a.i. bij de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer van de gemeente Amsterdam is afwijzend beslist. Deze afwijzing is na daartegen gemaakt bezwaar bij besluit van 13 februari 2012 (bestreden besluit 1) gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

1.3.

Op de sollicitatie van appellant als boventallige naar de functie van lid van de directie Middelen en Control i.o. (DMC) van de Bestuursdienst van de gemeente Amsterdam is eveneens afwijzend beslist. Na daartegen gemaakt bezwaar is deze afwijzing bij besluit van 23 mei 2012 (bestreden besluit 2) gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere beroepsgronden over de onzorgvuldige procedures en de onvoldoende motivering van de afwijzingen herhaald. Hij acht beide functies passend voor hem.

3.2.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van het Sociaal Plan voor de gemeente Amsterdam van 30 maart 2010 heeft een boventallige mobiliteitskandidaat bij vacatures binnen de gemeente voorrang op alle overige kandidaten. Op grond van artikel 16.6 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) kan de sollicitatie van een boventallige mobiliteitskandidaat

alleen afgewezen worden indien de functie niet een passende functie is, zoals omschreven in artikel 16.1, onder e, van de NRGA.

4.2.

Zoals blijkt uit de bestreden besluiten 1 en 2, zijn de afwijzingen van appellants sollicitaties gebaseerd op de omstandigheid dat beide functies niet passend zijn en dat appellant dus geen voorrang had bij de benoeming. In beroep heeft appellant betwist dat de functies niet passend zijn en betoogd dat hij dus wel voorrang had. Bij de rechterlijke toetsing van een afwijzing als deze geldt niet het in de aangevallen uitspraak vermelde en deels ook gehanteerde terughoudende toetsingskader voor besluiten op sollicitaties, waarbij het bestuursorgaan een grote beoordelingsruimte en afwegingsvrijheid heeft, zoals in de door de rechtbank genoemde uitspraak van 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AI1321) en meer recent in de uitspraak van 7 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1576 en TAR 2012, 12. In een geval als hier aan de orde moet beoordeeld worden of het college de functies terecht met toepassing van de in artikel 16.1, onder e, van de NRGA genoemde criteria voor appellant niet passend heeft geacht.

4.3.

Deze criteria luiden voor zover hier van belang als volgt.
“1. Een functie die
1° (…);
2° waarvan de werkzaamheden voor het overige in de lijn liggen van de oorspronkelijke functie of van het eerder verworven opleidings- en ervaringsniveau, en
3° waarbij de verwachting is gerechtvaardigd dat de boventallige de werkzaamheden op behoorlijke wijze zal kunnen verrichten;
2. een functie waarvoor de medewerker door middel van om- en bijscholing zoals opgenomen in de trajectovereenkomst binnen maximaal twee jaar de benodigde geschiktheid en bekwaamheid kan verwerven.”

Bestreden besluit 1

4.4.

De tijdelijke functie van Directeur Bedrijfsvoering a.i. (schaal 17) stond geheel in het teken van het tot stand brengen van veranderingen in velerlei opzicht bij de Dienst Infrastructuur Vervoer en Verkeer. De bedoeling was om deze veranderingen binnen maximaal een jaar te realiseren. De functie had een groot afbreukrisico. De Raad ziet geen grond om het college niet te volgen in zijn standpunt dat deze werkzaamheden niet in de lijn liggen van appellants werkzaamheden bij het stadsdeel Zeeburg, nu het verandertraject daar van beperkte aard en omvang was geweest. Hetzelfde geldt voor de opvatting van het college dat de ervaring van appellant met een omvangrijke reorganisatie in de eerste helft van de negentiger jaren onvoldoende recent is om aangemerkt te kunnen worden als eerder verworven ervaring die in de lijn ligt van het verandermanagement, dat als kernactiviteit van de directeur a.i. werd gevraagd.

4.4.1.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de gehandhaafde afwijzing van de sollicitatie van appellant naar deze functie, op de grond dat de functie geen passende functie was, in rechte stand kan houden. Dat de sollicitatieprocedure zelf tekortkomingen heeft vertoond en de motivering bij de oorspronkelijke afwijzing gebrekkig was, kan daar niet aan afdoen, nu appellant door die tekortkomingen niet is geschaad. Met betrekking tot de beroepsgrond van de schending door het college van het voorschrift van artikel 16.6, vierde lid, van de NRGA, inhoudende dat bezwaar tegen de afwijzing van een sollicitatie van een boventallige leidt tot

opschorting van de definitieve vervulling van de functie, volstaat de Raad met de vaststelling, dat appellant pas een bezwaarschrift heeft ingediend nadat de geselecteerde kandidaat benoemd was.

Bestreden besluit 2

4.5.

De functie van lid van de DMC i.o. met als aandachtsgebied Financiën en Control

(schaal 16) is een functie gericht op de gemeente Amsterdam als concern, waarin het merendeel van de werkzaamheden betrekking heeft op financiën. Het gaat om een budget van € 5,5 miljard en er is een groot afbreukrisico.

4.5.1.

De omstandigheid dat appellant bij het stadsdeel Zeeburg ook concerncontroller was maakt niet dat de werkzaamheden in de directiefunctie bij DMC die voor 90% financiële zaken betreft, in de lijn ligt van appellants functie van Sectormanager Bestuurs- en Managementondersteuning. In aanmerking genomen dat het directielid mede als eerste financieel adviseur van de wethouders optreedt, voor welke functie het college een specialist op het gebied van financiën nodig acht, heeft het college appellants niet op financiën gerichte opleiding ondanks het succesvol afronden van een tweejarige postacademische opleiding bedrijfskunde en de opleiding VOF Niff als een niet voldoende vakinhoudelijke opleiding mogen aanmerken. Ook heeft het college in aanmerking mogen nemen dat appellants generalistische werkervaring niet laat zien dat hij over de benodigde vakinhoudelijke kennis beschikt.

4.5.2.

Appellant heeft ter zitting betoogd dat het college onvoldoende acht heeft geslagen op de mogelijkheid dat hij binnen twee jaar de benodigde geschiktheid en bekwaamheid voor de directiefunctie bij DMC zou kunnen verwerven. Appellant heeft deze, in bestreden besluit 2 ontkende, mogelijkheid om de functie passend te achten niet eerder in de procedure naar voren gebracht en heeft ter zitting niet geconcretiseerd welke opleiding hem binnen twee jaar de vereiste vakinhoudelijke kennis zou kunnen geven. Hij heeft de stelling van het college niet weersproken dat eerder een vierjarige dan een tweejarige opleiding nodig zou zijn. Gelet hierop slaagt deze beroepsgrond niet.

4.6.

Hetgeen onder 4.4.1 is overwogen over de functie bij de Dienst Infrastructuur Vervoer en Verkeer geldt ook voor de directiefunctie bij DMC.

4.7.

Nu de bestreden besluiten 1 en 2 in rechte stand kunnen houden, komt de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.W. Munneke

HD