Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
12-4637 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Klachten zijn niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4637 ZW

Datum uitspraak: 12 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 juli 2012, 12/1787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellant en mr. Stap zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als toezichthouder. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft hij zich op 19 december 2011 ziek gemeld met psychische klachten en beenklachten. Bij zijn onderzoek op 18 januari 2012 heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat appellant ondanks zijn klachten in staat moet worden geacht om werkzaamheden als toezichthouder te verrichten. Bij besluit van

18 januari 2012 heeft het Uwv aan appellant bekend gemaakt dat hij met ingang van

23 januari 2012 niet langer ongeschiktheid wordt geacht voor het verrichten van zijn arbeid in de zin van de Ziektewet (ZW).

1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 januari 2012. Bij besluit van

21 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 18 januari 2012 gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van een bezwaarverzekeringsarts van 21 maart 2012. De bezwaarverzekeringsarts is na bestudering van de dossiergegevens en eigen onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant met zijn psychische klachten en beenklachten in staat moet zijn om het werk van toezichthouder te verrichten waarin geen hoge psychische en lichamelijke belastingeisen gelden.

2.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv zijn psychische klachten en beenklachten heeft onderschat. De verzekeringsartsen hebben volgens appellant onvoldoende informatie verzameld omtrent de gezondheidstoestand waarin appellant op 23 januari 2012 verkeerde.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 2.1 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat dat op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW ten aanzien van appellant, die zich als werkloze werknemer ziek heeft gemeld, onder zijn arbeid wordt verstaan de werkzaamheden als toezichthouder die bij een soortgelijke werkgever doorgaans kenmerkend voor die arbeid zijn.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben ieder appellant onderzocht. Zij hebben kennisgenomen van het rapport van psychiater S. Sidali van 20 juli 2010 en van het rapport van psychiater W.M.J. Hassing van 31 mei 2011. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is gemotiveerd uiteengezet waarom appellant met zijn psychische klachten en beenklachten, waarmee hij eerder ook als toezichthouder heeft kunnen werken, met ingang van 23 januari 2012 niet (meer) ongeschikt wordt geacht voor zijn arbeid.

4.3.

Het Uwv heeft op goede gronden het standpunt betrokken dat het niet zinvol was om Sidali vragen te stellen over de gezondheidstoestand van appellant op 23 januari 2012. Appellant had immers in zijn gesprek met de verzekeringsarts op 18 januari 2012 kenbaar gemaakt dat Sidali de behandeling van appellant had afgerond. Uit het door appellant in beroep ingebrachte rapport van Sidali van 20 oktober 2011 volgt dat de behandeling op

20 oktober 2011 was geëindigd met als resultaat dat de situatie van appellant met medicatie was gestabiliseerd.

4.4.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt dat zijn klachten zijn onderschat niet nader onderbouwd. Hij heeft wel opnieuw naar voren gebracht dat hij in verband met toegenomen psychische klachten weer is behandeld, maar omtrent die behandeling is niet meer bekend dan dat appellant door i-psy is uitgenodigd voor een gesprek met een arts op 5 april 2012. Medische stukken die nader licht werpen op de psychische toestand van appellant op

23 januari 2012 zijn niet ingebracht.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) Z. Karekezi

HD