Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13-4801
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blokkering, intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft werkzaamheden als ondernemer heeft verricht, die op geld waardeerbaar zijn. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4801 WWB, 13/5691 WWB

Datum uitspraak: 2 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

18 juli 2013, 12/4620 (aangevallen uitspraak 1) en van de rechtbank Midden-Nederland van

5 september 2013, 13/139 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Blaricum (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 21 oktober 2014. Voor appellant is verschenen mr. Van Knippenbergh. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Vlaanderen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant had een aannemersbedrijf dat sinds 27 juli 2006 als eenmanszaak stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) onder de naam [bedrijf]. Op

3 augustus 2010 is deze onderneming als gevolg van een faillissement opgeheven. Appellant ontving sinds 6 augustus 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% van het minimumloon.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een medewerker van de Intergemeentelijke Afdeling Sociale Zaken Huizen, Blaricum, Eemnes, Laren, dat de bus van appellant op

9 september 2011 geparkeerd stond in de nabije omgeving van [adres], alwaar verbouwingswerkzaamheden plaatsvonden, heeft de sociale Recherche Gooi en Vechtstreek (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit dossieronderzoek, het raadplegen van het handelsregister van de KvK en het internet, het opvragen van bankgegevens, waarnemingen en observaties, een doorzoeking van de woning van appellant, het horen van getuigen en het verhoren van appellant en [naam 1] als verdachte en medeverdachte. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een ongedateerd rapport uitkeringsfraude.

1.3.

Hangende het onderzoek heeft het college bij besluit van 5 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 augustus 2012 (bestreden besluit 1), de uitbetaling van de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2012 geblokkeerd.

1.4.

De onderzoeksresultaten hebben het college vervolgens aanleiding gegeven om bij besluiten van 24 mei 2012 en 1 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

16 november 2012 (bestreden besluit 2), de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2012 te beëindigen (lees: in te trekken), onderscheidenlijk de bijstand over de periode van

6 augustus 2010 tot en met 29 februari 2012 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 24.771,29 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat hij werkzaamheden, dan wel op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en niet heeft doorgegeven dat hij vanaf 1 oktober 2011 een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 1].

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

2.1.

Ten aanzien van de blokkering van de betaling van bijstand heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 overwogen dat op grond van de op 20 maart 2012 door appellant bij de sociale recherche afgelegde verklaring over de door hem verrichte klussen voor

[naam 2] en diverse andere klusjes, zoals genoteerd in het notitieboekje van appellant, waarvoor hij in elk geval incidenteel een financiële vergoeding heeft ontvangen, reeds een gegrond vermoeden kon bestaan dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting en dat hij geen recht (meer) had op (volledige) bijstand.

2.2.1.

Ten aanzien van de intrekking heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 overwogen dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellant in de gehele in geding zijnde periode werkzaamheden en op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht die van belang zijn voor het recht op bijstand. Het verbouwen van een woonhuis voor een ander kan zonder meer als zodanig worden aangemerkt, evenals de diverse kleinere door appellant verrichte klussen, zoals het tegelen van een toilet, het ophangen van een gordijnroede, het herstellen van een muur en het plaatsen van vensterbanken. Dat de werkzaamheden zouden zijn verricht ter inlossing van oude schulden, garantieverplichtingen en wederdiensten is in het kader van de WWB niet van belang. Voor appellant had duidelijk moeten zijn dat hij zijn werkzaamheden had moeten melden bij het college, ongeacht de inkomsten die zijn verworven. Door dit niet te doen heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat hij, indien hij de inlichtingenverplichting wel was nagekomen, recht op bijstand zou hebben gehad. De administratie die appellant bijhield in zijn notitieboekje is daarvoor onvoldoende omdat het boekje niet compleet is voor wat betreft de omvang van de door appellant verrichte activiteiten.

2.2.2.

De rechtbank heeft ten aanzien van de intrekking in de aangevallen uitspraak 2 verder overwogen dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant en [naam 1] ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen aanleiding is om appellant niet te houden aan zijn op 20 maart 2012 afgelegde verklaring dat [naam 1] hoofdzakelijk bij hem blijft sinds zij per 1 oktober 2011 met haar werk in [gemeente] is begonnen en dat je dit wel kunt zien als samenwonen. Het college heeft ook belang mogen hechten aan de waarnemingen waarbij de auto van [naam 1] 28 van de 38 keer bij de woning van appellant is aangetroffen, de in de woning van appellant aangetroffen kleding en administratie van [naam 1] en aan de verklaringen van appellant en [naam 1] over het gezamenlijk verrichten van de huishoudelijke taken en de verzorging van de huisdieren.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Blokkering

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat er onvoldoende grondslag was voor de blokkering van de uitbetaling van de bijstand per 1 maart 2012.

4.2.

Of het blokkeren of stopzetten van de betaling van bijstand is geoorloofd, hangt af van het antwoord op de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat een betrokkene geen recht (meer) heeft op (volledige) bijstand. Als regel zal daartoe aanleiding bestaan als uit onderzoek gegevens bekend worden die erop duiden dat een betrokkene zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen, maar nog onvoldoende grondslag bestaat om alvast tot herziening of intrekking van de bijstand over te gaan.

4.3.

Op 20 maart 2012 was het onderzoek van de sociale recherche nog niet afgerond. De sociale recherche heeft het college op die datum wel al in kennis gesteld van de bevindingen en de voorlopige conclusies uit het onderzoek. Op basis van die gegevens is voorgesteld de bijstand met ingang van 1 maart 2012 te blokkeren. Op grond van de op dat moment beschikbare onderzoeksresultaten, bestaande uit de informatie van de KvK, de waarnemingen in de perioden van 9 september 2011 tot en met 23 september 2011, de observaties in de periode van 16 december 2011 tot en met 22 december 2011 en op 14 en 15 maart 2012, het bij de doorzoeking van de woning van appellant in beslag genomen notitieboekje, de verklaring van getuige [naam 2] en het verhoor van appellant en van [naam 1] op 20 maart 2012, kon het college ten minste het gegronde vermoeden hebben dat appellant op geld waardeerbare activiteiten verrichtte en om die reden mogelijk geen recht meer bestond op (volledige) bijstand. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kon het college onder die omstandigheden besluiten tot blokkering van de uitbetaling van de bijstand aan appellant met ingang van 1 maart 2012.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep inzake het bestreden besluit 1 niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

Intrekking

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn handelen er altijd op gericht is geweest om wederom werkzaam te zijn als zelfstandig ondernemer. De werkzaamheden die hij gedurende de bijstandsperiode heeft uitgevoerd, vloeiden hoofdzakelijk voort uit garantie of service in verband met door hem voorafgaand aan de bijstand uitgevoerde opdrachten. Verder zijn opdrachten uitgevoerd om oude schulden in te lossen. Appellant doet in dit kader een beroep op de artikelen 31, tweede lid, aanhef en onder n, en 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Het college heeft ook op geen enkele wijze aangetoond om welke bedragen aan inkomsten uit arbeid het nu gaat, wat in strijd is met het motiveringsbeginsel. Appellant heeft slechts voor een enkele klus een vergoeding ontvangen. De door Van der Plas voorgeschoten bedragen zijn geleend aan appellant en betreffen geen inkomsten in de zin van de WWB. Tot slot betwist appellant het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam 1]. De onderzoeksbevindingen vormen onvoldoende grondslag voor het aannemen van gezamenlijk hoofdverblijf, het zorg dragen voor elkaar en financiële verwevenheid.

4.6.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 6 augustus 2010 tot en met 24 mei 2012, de datum van het besluit waarbij het college de bijstand met ingang van 1 maart 2012 heeft ingetrokken.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode werkzaamheden als ondernemer heeft verricht.

4.8.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de werkzaamheden die appellant in deze periode heeft verricht, moeten worden beschouwd als op geld waardeerbare activiteiten die van belang zijn voor het recht op bijstand. De Raad onderschrijft de in 2.2.1 vermelde overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd en maakt die tot de zijne. De door appellant in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden brengen de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.

4.8.1.

In artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Met de werkzaamheden die appellant heeft uitgevoerd in de te beoordelen periode heeft hij in die periode inkomsten verworven of kunnen verwerven. Anders dan appellant meent, gaat het hier dus om middelen die betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.8.2.

Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB luidt thans als volgt: “Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend: inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 194,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling.” Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor deze inkomensvrijlating geen plaats is, reeds omdat het recht op bijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen. Immers, bij gebreke van verifieerbare gegevens over de hoogte van de inkomsten die appellant heeft verworven of had kunnen verwerven kan niet worden beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre en in welke periode appellant eventueel voor de inkomensvrijlating van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB in aanmerking komt. Van strijd met het motiveringsbeginsel is geen sprake omdat het bij schending van de inlichtingenverplichting aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.9.

De Raad onderschrijft eveneens het oordeel van de rechtbank en de in 2.2.2 vermelde overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd, dat appellant en [naam 1] ten tijde hier van belang gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellant en dat sprake was van wederzijdse zorg. Daaraan wordt, voor wat betreft het gezamenlijk hoofdverblijf, het volgende toegevoegd. Appellant heeft verklaard dat [naam 1] een eigen sleutel heeft van zijn woning. [naam 1] heeft volgens de door haar op 20 maart 2012 afgelegde verklaring haar baan in Nuenen opgezegd en zij is per 1 oktober 2011 in [gemeente] gaan werken om vaker bij appellant te zijn. Volgens diezelfde verklaring slaapt zij sindsdien vier of vijf nachten bij appellant en ligt haar belangrijkste administratie in de woning van appellant, evenals haar meeste kleding, haar televisie, haar zilveren bestek, haar iPad en laptop. De getuigenverklaringen van de buren [naam 3] en [naam 4], die tegenover en direct naast de woning van appellant wonen, ondersteunen de verklaringen van appellant en [naam 1]. Voor wat betreft de wederzijdse zorg is van belang dat zowel appellant als [naam 1] hebben verklaard dat zij boodschappen voor elkaar betalen, voor elkaar koken en voor elkaar de was doen. Het betoog van appellant dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam 1] slaagt niet.

4.10.

Appellant heeft tegen de terugvordering van bijstand over de periode van 6 augustus 2010 tot en met 29 februari 2012 geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat het oordeel van de rechtbank hierover verder geen bespreking behoeft.

4.11.

Uit 4.5 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep inzake het bestreden besluit 2 niet slaagt, zodat ook de aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en W.F. Claessens en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2014.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD