Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
13-1312 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage Zvw. Woonlandfactor van België is terecht. Niet aannemelijk dat appellant niet in België, maar in Marokko woonachtig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1312 ZVW

Datum uitspraak: 3 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 februari 2013, 11/2089 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H. Verweij en mr. K. Siemeling.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 1 mei 2010 een pensioenuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het Zorginstituut appellant bericht dat hij met ingang van 1 mei 2010 als verdragsgerechtigde recht heeft op medische zorg in zijn woonland - België - voor rekening van Nederland en dat hij daarvoor een bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd is. Deze zogeheten buitenlandbijdrage zal door de uitkeringsinstantie, de Sociale verzekeringsbank (Svb), op zijn AOW-pensioen worden ingehouden

1.3.

Bij besluit van 21 september 2010 heeft de Svb aan appellant bericht dat in opdracht van het Zorginstituut met ingang van 1 oktober 2010 maandelijks een buitenlandbijdrage van € 92,- op zijn AOW-pensioen zal worden ingehouden.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2010 heeft het Zorginstituut bij besluit van 11 maart 2011, vervangen door het besluit van 27 mei 2011 (bestreden besluit), niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 september 2010 - door de Svb doorgezonden naar het Zorginstituut - heeft het Zorginstituut bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2010 gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2010 ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak in de plaats gesteld van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep van appellant - na te hebben vastgesteld dat tussen partijen in geschil is of appellant als verdragsgerechtigde kan worden aangemerkt - voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat het Zorginstituut aan appellant het door hem betaalde griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hem ten onrechte een buitenlandbijdrage is opgelegd berekend naar de - hoge - woonlandfactor van België, omdat hij feitelijk zijn hoofdverblijf in Marokko heeft en daar verzekerd is tegen ziektekosten. Appellant heeft ter staving hiervan een op 2 april 2012 gedateerd document overgelegd, waaruit naar zijn mening blijkt dat hij in Marokko verblijft. Tevens heeft appellant overgelegd een

AOW-pensioenoverzicht van 13 november 2012 waaruit blijkt dat er in december 2012 een buitenlandbijdrage van € 1,81 op zijn AOW-pensioen is ingehouden. Appellant eist al zijn buitenlandbijdragen vanaf oktober 2010 terug en een schadevergoeding van € 15.000,-. Tot slot wil hij de door hem vanaf oktober 2010 gemaakte proceskosten en betaalde griffierechten vergoed hebben.

3.2.

Het Zorginstituut stelt door de Svb destijds op de hoogte te zijn gesteld van het feit dat appellant vanaf 1 mei 2010 in België woonde. Alle post, ook van de Svb, is vanaf die datum naar het adres van appellant in België gestuurd en daar is altijd adequaat op gereageerd. Het Zorginstituut heeft erop gewezen dat appellant in beroep nog heeft gesteld dat hij in 2010

- slechts - op vakantie was in Marokko. Zijn inschrijving in Marokko dateert van

17 februari 2012 en pas vanaf die datum is zijn post naar Marokko gestuurd en de buitenlandbijdrage naar de woonlandfactor van Marokko berekend.

4.1.

De Raad stelt voorop dat hetgeen appellant ter zitting heeft gesteld omtrent het niet ontvangen van het besluit van 30 augustus 2010 geen inhoudelijke bespreking behoeft. Appellant is op dit punt door de rechtbank in het gelijk gesteld en het Zorginstituut heeft tegen de uitspraak van de rechtbank niet geappelleerd.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat hij op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) als verdragsgerechtigde recht heeft op zorg in het woonland ten laste van Nederland. Appellant heeft evenmin bestreden dat voor dit recht op zorg ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage is verschuldigd (buitenlandbijdrage). Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden dat hij in 2010 in België woonachtig was en de hoogte van de buitenlandbijdrage terecht is berekend aan de hand van de woonlandfactor van België.

4.3.

Appellant heeft met ingang van 1 mei 2010 recht op een AOW-pensioen en heeft zich vanaf die datum bij de Svb - de pensioenuitkerende instantie - laten registreren als woonachtig in België.

4.4.

Appellant heeft in bezwaar en in beroep niet gesteld dat hij - al dan niet feitelijk - in Marokko woonachtig was in (of vanaf mei) 2010. Op zijn bezwaarschrift en zijn beroepschrift is zijn adres in België vermeld en het bestreden besluit is naar dat adres gestuurd en ook ontvangen door appellant. Tijdens de hoorzitting op 24 mei 2011 heeft hij verteld ‘binnenkort’ voorgoed naar Marokko te gaan. Blijkens een door het Zorginstituut in hoger beroep overgelegde brief van de Svb woont appellant met ingang van 17 februari 2012 te

Al Hoceima in Marokko.

4.5.

In het licht van hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is vermeld is niet aannemelijk dat appellant in de periode vanaf oktober 2010 tot februari 2012 - anders dan hij eerder aan de Svb heeft opgegeven - niet in België, maar in Marokko woonachtig was en dat de door hem verschuldigde buitenlandbijdrage in die periode daarom ten onrechte is berekend naar de woonlandfactor van België.

4.6.

De rechtbank heeft dan ook - voor zover hier van belang - met juistheid geoordeeld dat het Zorginstituut de buitenlandbijdrage van appellant terecht heeft berekend naar de woonlandfactor van België. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd voor zover deze is aangevochten.

4.7.

Voor een teruggave van de bijdragen als door appellant is gevraagd bestaat gelet op hetgeen is overwogen in 4.6 geen grond. Evenmin bestaat grond voor een hogere proceskostenveroordeling dan reeds door de rechtbank is toegekend. Voor toekenning van een schadevergoeding als door appellant is gevorderd, is onder de hiervoor geschetste omstandigheden evenmin plaats.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.R. van Ravenstein

Nk

DECISION

Le Centrale Raad van Beroep (conseil central d’appel):

- confirme la décision attaquée pour autant que celle-ci ait été contestée.

- rejette la demande d’indemnité.

Par conséquent, décidée par J. Brand en présence de J.R. van Ravenstein en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 3 décembre 2014.