Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
12-4633 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4633 ZW

Datum uitspraak: 12 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

13 juli 2012, 12/137 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.W.J. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante is tot 16 juni 2010 werkzaam geweest als schoonmaakster voor 32 uur per week. Vanuit de situatie waarin appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op 25 november 2010 ziek gemeld met whiplash-gerelateerde klachten na een auto-ongeval. Bij besluit van 3 november 2011 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 9 november 2011 beƫindigd op de grond dat appellante weer geschikt is voor haar maatgevende werk. Bij besluit van 18 januari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, noch dat deze niet concludent of inhoudelijk onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellante per 9 november 2011 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW. In hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanwijzingen gezien voor een ander oordeel.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij op 9 november 2011 niet in staat was om haar werk in de volle omvang te verrichten. Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. Appellante ziet in het Verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder I/II (protocol) een bevestiging van haar stelling dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

De vraag moet worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank kan worden gevolgd dat het Uwv appellante terecht met ingang van 9 november 2011 niet (langer) ongeschikt heeft geacht voor haar arbeid als schoonmaakster in een omvang van 32 uur per week.

4.3.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, blijkt uit de beschikbare gegevens niet dat het Uwv een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht, noch dat het de klachten van appellante niet serieus heeft genomen. De stelling van appellante, erop neerkomend dat een onderzoek door verzekeringsartsen van het Uwv in geval van klachten zoals die van appellante alleen zorgvuldig kan worden genoemd als uit de verslaglegging van de onderzoekbevindingen is af te leiden dat aandacht is geweest voor de medische noties waarvan het protocol de weerslag vormt, is daarvoor onvoldoende. De rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts vormen een voldoende basis voor het standpunt dat appellante geschikt is te achten voor haar werk. Voor de door appellante gestelde klachten geldt dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij gericht lichamelijk onderzoek geen duidelijke afwijkingen hebben gevonden die de klachten van appellante kunnen verklaren. Dat appellante voordien met mogelijk dezelfde klachten voor de ZW is geaccepteerd maakt niet dat haar (nog) op de datum in geding bestaande klachten zijn onderschat.

4.4.

Aan het bestreden besluit ligt de verzekeringsgeneeskundige conclusie ten grondslag dat appellante op 9 november 2011 tot werkhervatting in de volle omvang in staat kon worden geacht. Door appellante is ook in hoger beroep niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat haar arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW voortduurde omdat nog sprake was van zodanige beperkingen dat zij slechts een beperkt aantal uren per week in schoonmaakwerk inzetbaar was.

4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het oordeel van de rechtbank juist is. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) Z. Karekezi

HD