Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
13-690 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Reiken met rechterarm. Gezien de toelichting in het rapport van 26 juni 2014 moet worden geconcludeerd dat de functie van montagemedewerker de belastbaarheid van appellant op 5 maart 2012 niet overschreed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/690 ZW

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 december 2012, 12/2453 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Bie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is via een uitzendbureau werkzaam geweest als medewerker in een kwekerij.

Hij is op 23 mei 2008 uitgevallen met rugklachten en pijn in de knieën. Met ingang van

21 mei 2010 is appellant een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant werd in staat geacht de functies wikkelaar, samensteller elektronika (sbc-code 267050), produktiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172) en inpakker (sbc-code 111190) te verrichten.

1.2.

Met ingang van 31 maart 2011 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld met pijn aan

zijn rug en knieën. Op dat moment ontving appellant een uitkering op grond van de

Werkloosheidswet (WW). Appellant heeft naar aanleiding van deze ziekmelding tot

21 juli 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Daarna herleefde zijn WW-uitkering.

1.3.

Met ingang van 7 november 2011 heeft appellant zich wederom ziek gemeld. Appellant meldde nek-, rug-, knie- en armklachten. Appellant is door een verzekeringsarts onderzocht. Deze heeft appellant tweemaal op het spreekuur gezien, informatie ingewonnen bij de huisarts, en na ontvangst van de bevindingen van een onderzoek door een revalidatiearts geconcludeerd dat appellant met ingang van 5 maart 2012 geschikt kon worden geacht voor de in 2010 geduide functies, waaronder die van wikkelaar. Op basis van het rapport van de verzekeringsarts van 29 februari 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant bij besluit van dezelfde dag beëindigd met ingang van 5 maart 2012.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 februari 2012. Bij besluit van

23 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan het

bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en

beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, waarvan de conclusies luidden

dat appellant geschikt is voor de functie montagemedewerker, waarvan het functienummer

3697-0024-022 onder sbc-code 267050 valt.

2. De rechtbank heeft het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv niet onzorgvuldig of onvolledig geacht en heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak niettemin gegrond verklaard, omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep pas in beroep een deugdelijke motivering heeft gegeven van de geschiktheid van de functie montagemedewerker. De rechtbank zag daarin aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Appellant is van opvatting dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij heeft verder een rapport overgelegd van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

13 augustus 2013, dat is opgesteld in het kader van een herbeoordeling van appellant naar aanleiding van een melding van toegenomen beperkingen. In dit rapport is geconcludeerd dat de functie wikkelaar (sbc-code 267050) ten tijde van de ziekmelding op 7 november 2011 ongeschikt was voor appellant. Appellant heeft erop gewezen dat aan deze arbeidskundige beoordeling een op 22 juli 2013 opgestelde FML ten grondslag lag die geldig was vanaf

7 november 2011 en een functiebeschrijving die met name wat betreft het aspect reiken op een aanmerkelijk lichtere belasting wees dan de belasting van de voor appellant per

5 maart 2012 geschikt geachte functie van montagemedewerker.

3.2.

De Raad heeft het Uwv gevraagd om nader te motiveren waarom de functie montagemedewerker voor appellant geschikt is geacht. Hierop heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv het Claim Beoordelings en Borgings Systeem (CBBS) opnieuw geraadpleegd. Uit het van de resultaten daarvan opgemaakte rapport van 26 juni 2014, dat mede door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is ondertekend, blijkt dat noch bij de functie montagemedewerker, noch bij de functie wikkelaar sprake is van ontoelaatbare overschrijdingen. Dat de functie wikkelaar bij de herbeoordeling is verworpen kan volgens dit rapport slechts worden verklaard door een systeemfout van het CBBS. In dit rapport is verder gemotiveerd dat de functie van montagemedewerker wat betreft het aspect ‘reiken’ op

5 maart 2012 geschikt was voor appellant, ondanks de overschrijding van de toegestane belastbaarheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is de vraag aan de orde of de functie montagemedewerker met ingang van 5 maart 2012 terecht geschikt is geacht voor appellant. Daarbij gaat het met name om het aspect reiken. Voor het antwoord op deze vraag moet worden beoordeeld of de belasting van die functie binnen de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant viel. In dat kader is niet van belang dat de onder dezelfde functiecode vallende functie van wikkelaar bij de herbeoordeling van appellant in 2013 is verworpen als geschikte functie. Het feit dat die functie wat betreft het reiken aanmerkelijk minder belastend is dan de functie montagemedewerker betekent dan ook niet, dat de functie montagemedewerker per

5 maart 2012 ten onrechte geschikt is geacht voor appellant.

4.2.

In de FML van 22 juli 2013, welke ook geldig was op 5 maart 2012, is appellant licht beperkt geacht wat betreft frequent reiken tijdens het werk. Appellant was volgens deze FML in staat om over een afstand van 70 centimeter met zijn rechterarm zo nodig 600x per uur te reiken en met zijn linkerarm 1200x per uur. In de functie montagemedewerker bedraagt de belasting 300x per uur reiken over 70 centimeter en 900x per uur reiken over 50 centimeter, waarbij beide armen gebruikt moeten worden. De voor de rechterarm toegestane frequentie wordt daardoor ruimschoots overschreden. In het in 3.2 genoemde rapport van 26 juni 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gesteld dat de hogere frequentie bij het rechts reiken in voldoende mate wordt gecompenseerd doordat het reiken - ook met rechts - grotendeels gecombineerd wordt met een reikafstand van 50 centimeter en dat de reikafstand zonodig kan worden verkleind door tijdens het reiken meer dan 15 graden te buigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft door mede-ondertekening van dit rapport te kennen gegeven zich hierin te kunnen vinden.

4.3.

Gezien de toelichting in het rapport van 26 juni 2014 moet worden geconcludeerd dat de functie van montagemedewerker de belastbaarheid van appellant op 5 maart 2012 niet overschreed. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie, nu andersluidende medische gegevens ontbreken.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd voor zover deze is aangevallen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevallen.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) J.R. van Ravenstein

NK