Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
13-50 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De artsen van het Uwv hebben een volledig en zorgvuldig onderzoek verricht naar de belastbaarheid van appellante. Belastbaarheid niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/50 ZW

Datum uitspraak: 31 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

6 december 2012, 12/1124 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.W. Brugman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brugman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk voor 36 uur per week werkzaam als kassamedewerkster bij [de besloten vennootschap] (groothandel food en non-food), is op 9 november 2010 uitgevallen met knieklachten rechts. Het arbeidscontract is per 21 februari 2011 niet verlengd en aan appellante is vervolgens een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellante is in het kader van deze ziekmelding een aantal keren op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien, laatstelijk op 27 februari 2012. Naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek wordt appellante, rekening houdende met haar knieklachten en inmiddels ontstane psychische klachten, per 5 maart 2012 hersteld verklaard voor haar werk als kassamedewerkster. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2012 vastgesteld dat appellante met ingang van 5 maart 2012 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de ZW. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, in navolging van de bevindingen van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een verzekeringsarts bezwaar en beroep, als neergelegd in de rapporten van 12 april 2012 en 17 april 2012, bij besluit van 17 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat ingevolge artikel 19, lid 5 van de ZW voor de maatgevende arbeid uitgegaan dient te worden van de functie kassamedewerkster bij een groothandel. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat zij aan het oordeel van de door appellante geraadpleegde verzekeringsarts A.W.A. Elemans, opgenomen in het rapport van 29 juni 2012, voorbij dient te gaan omdat deze arts uitgegaan zou zijn van de verkeerde maatstaf arbeid, namelijk de arbeid zoals appellante deze bij haar werkgever [de besloten vennootschap] verrichtte. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding heeft gezien om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van appellantes belastbaarheid op de datum in geding en geschiktheid voor haar arbeid voor onjuist te houden.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het rapport van verzekeringsarts Elemans gepasseerd heeft aangezien deze arts wel van de juiste maatstaf arbeid is uitgegaan. Tevens stelt zij dat de door deze arts vastgestelde beperkingen in haar arbeid worden overschreden en dat zij om die reden op de datum in geding niet in staat was haar arbeid te verrichten. Appellante heeft voorts gesteld dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat zij per de datum in geding in staat zou zijn haar arbeid te verrichten, onvoldoende gemotiveerd is. Tot slot heeft zij de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW, wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft (…) onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

Tussen partijen is, mede gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 februari 2013, niet (meer) in geschil dat de functie kassamedewerkster, zoals appellante deze bij [de besloten vennootschap] verrichtte, model kan staan voor de maatstaf ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19, lid 5 van de ZW. In deze functie was geen sprake van uitzonderlijke, verzwarende of verlichtende omstandigheden en de functie sluit wat betreft inhoud en arbeidsbelasting aan bij de functievoorbeelden die opgenomen zijn in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat de werkbelasting binnen deze functie zwaarder was dan waarvan het Uwv uitgegaan is. Onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 juli 2012 wordt appellante in dit standpunt niet gevolgd. Uit dit rapport blijkt dat er een bedrijfsbezoek bij [de besloten vennootschap] is afgelegd om een eigen beeld te vormen van de wijze waarop het werk aan de kassa wordt verricht en de arbeidsbelasting die daarbij gemoeid is. Tijdens dit bedrijfsbezoek is gesproken met de personeelsmanager en operationeel manager, is de dagelijkse route van de kassamedewerker gelopen en heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep enige tijd, op een drukke vrijdagmiddag, de werkzaamheden van de kassamedewerkers op afstand waargenomen. Op basis van de bevindingen uit dit bedrijfsbezoek is vervolgens de belasting van appellantes arbeid vastgesteld. Gezien de wijze waarop het rapport van 23 juli 2012 tot stand is gekomen en het feit dat namens appellante geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat de in dit rapport opgenomen bevindingen van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onjuist zijn, is er geen aanleiding om aan de juistheid van dit rapport te twijfelen.

4.4.

Appellante heeft zich in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de artsen van het Uwv haar beperkingen hebben onderschat. Zij ziet zich in dit standpunt gesteund door de door haar ingeschakelde verzekeringsarts Elemans, die in zijn rapport van 29 juni 2012 stelt dat zij niet in staat is langer dan 45 minuten te zitten en dat zij na deze periode 15 minuten moet kunnen staan, ‘hangen’ en het rechter been moet kunnen buigen. Voorts stelt deze arts dat appellante niet zwaarder dan ongeveer drie kilo kan tillen. Aangezien appellante in haar werk meer dan 45 minuten achtereen moet zitten en niet de gelegenheid heeft om na

45 minuten te recupereren acht deze arts appellante op de datum in geding niet geschikt voor haar arbeid.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op grond van het medisch beeld beperkingen heeft ten aanzien van haar knie- en beenfunctie. Evenmin is in geschil dat appellante vanwege dit medisch beeld niet zwaar kan tillen en zitten dient af te wisselen met staan en lopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en verzekeringsarts Elemans verschillen met name van inzicht ten aanzien van de aspecten aaneengesloten zitten, tillen en de noodzaak tot recupereren in de vorm van ‘hangen’.

4.6.

Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de Raad van oordeel dat in het rapport van verzekeringsarts Elemans geen objectief medische onderbouwing wordt gegeven voor de noodzaak voor het aannemen van de beperkingen op eerder genoemde aspecten als door hem is gedaan. De beperkingen zijn afgeleid van de claimklachten, zoals vermeld onder kopje 8 in het rapport van Elemans, en berusten op de subjectieve beleving door appellante van haar klachten. Dit is echter niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij appellante zijn vast te stellen. Aan het rapport en daarin opgenomen conclusies van verzekeringsarts Elemans wordt dan ook niet die waarde toegekend die appellante daaraan toegekend zou willen zien.

4.7.

Aangezien de artsen van het Uwv een volledig en zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de belastbaarheid van appellante op de datum in geding en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 17 april 2012, 24 juli 2012 en 5 februari 2013 inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om per datum in geding ten aanzien van appellante meer beperkingen aan te nemen dan gedaan wordt, heeft de Raad geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt. Het Uwv heeft appellante terecht, rekening houdende met de bij haar aanwezige beperkingen, per de datum in geding geschikt geacht voor haar arbeid.

4.8.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2014.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) S. Aaliouli

QH