Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
14-4011 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:4457, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Staken van de loondoorbetaling met ingang van 27 augustus 2012; voorwaardelijk strafontslag; verhaal van schade; opdracht om werkzaamheden te verrichten; staken van de loondoorbetaling met ingang van 24 mei 2013; tenuitvoerlegging van het strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/4011 AW, 14/4012 AW

Datum uitspraak: 27 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 juni 2014, 13/976 en 13/5949 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.W.J.A. van der Molen-Platenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.L. van Os, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Molen-Platenburg, G.J. Verhoeven,

A.M.M. van den Hoven en J.G.C van den Wijngaart. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Os.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Betrokkene was sinds 1 april 1993 werkzaam voor (de rechtsvoorganger van) appellant, laatstelijk in de functie van brandweerman (manschap C) bij het [cluster] van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (Veiligheidsregio).

1.2.

In de periode van 15 maart 2012 tot 19 juni 2012 heeft betrokkene geen werkzaamheden verricht voor de Veiligheidsregio in verband met een onderzoek naar vermeende gedragingen die als plichtsverzuim zijn aan te merken. Naar aanleiding van de bevindingen van dat onderzoek heeft appellant geconcludeerd dat betrokkene zich niet aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en hem daarvan mondeling mededeling gedaan tijdens een gesprek op

19 juni 2012. Tijdens dat gesprek heeft betrokkene zich ziek gemeld. Op 29 juni 2012 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat hij betrokkene op medische gronden arbeidsongeschikt acht en dat werkhervatting nog niet goed mogelijk is. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat de samenwerkingsrelatie van betrokkene en appellant onder druk staat en dat in zo’n situatie een gesprek tussen alleen de leidinggevende en de medewerker geen oplossing biedt. Om het herstel van de relatie en daarmee een voorspoedige re-integratie van betrokkene te bevorderen adviseert de bedrijfsarts een mediator in te schakelen.

1.3.

Bij brief van 17 augustus 2012 heeft appellant betrokkene te kennen gegeven dat het advies van de bedrijfsarts wordt gevolgd door hem in contact te brengen met een bemiddelaar S, dat S arbeidspsycholoog is en dat zij de opdracht krijgt een nadere analyse te maken van zijn psychische situatie, de relatie met de werkomgeving en advies te geven voor een plan van aanpak. Appellant verzoekt betrokkene uiterlijk op 22 augustus 2012 een afspraak met S te maken. S meldt op 22 augustus 2012 aan appellant dat betrokkene contact heeft opgenomen en dat een afspraak is gemaakt voor een intake op 10 september 2012 en dat voor betrokkene een afspraak op een eerdere datum niet mogelijk was. Appellant heeft betrokkene vervolgens per e-mailbericht van 22 augustus 2012 verzocht hem per ommegaande te berichten waarom hij niet aanwezig kan zijn op een intakegesprek op de door S aan hem voorgestelde datum

27 augustus 2012. Tevens heeft appellant betrokkene verzocht om in het kader van het

re-integratietraject voor appellant telefonisch bereikbaar te zijn. Betrokkene heeft niet op dit e-mailbericht gereageerd.

1.4.

Bij besluit van 29 augustus 2012 (besluit 1) heeft appellant met ingang van 27 augustus 2012 de loondoorbetaling aan betrokkene gestaakt. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene, door niet te reageren op het e-mailbericht van 22 augustus 2012, door voor appellant telefonisch niet bereikbaar te zijn en door geen afspraak met S te maken op de eerst mogelijke datum, geen gevolg heeft gegeven aan de door appellant gegeven redelijke voorschriften. Bij besluit 1 is betrokkene voorts meegedeeld dat hij zo spoedig mogelijk contact dient op te nemen met de organisatie.

1.5.

Betrokkene heeft zich laten afmelden voor het intakegesprek op 10 september 2012 met S en daarvoor als reden gegeven dat zijn vliegtuig vertraging had opgelopen. S heeft bij appellant in verband met de late annulering van de afspraak een bedrag van € 100,- in rekening gebracht.

1.6.

Nadat appellant het voornemen daartoe had geuit en betrokkene zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft appellant bij besluit van 12 oktober 2012 (besluit 2) betrokkene met ingang van de derde werkdag na verzending van het besluit wegens plichtsverzuim de straf van ongevraagd voorwaardelijk ontslag verleend met een proeftijd van twee jaar. Appellant heeft betrokkene verweten dat:

- hij zonder geldige reden niet is verschenen op de afspraak met S op 10 september

2012;

- hij telefonisch niet bereikbaar is, nog steeds niet heeft gereageerd op de e-mail van

22 augustus 2012 en geen gehoor heeft gegeven aan het bij besluit 1 meegedeelde verzoek

zo spoedig mogelijk contact op te nemen;

- hij niet op zijn huisadres heeft verbleven.

Bij besluit 2 heeft appellant voorts meegedeeld dat hij in verband met de late annulering van de afspraak met S door betrokkene een schade van € 100,- heeft geleden en hem de verplichting opgelegd die schade te vergoeden.

1.7.

Appellant heeft met ingang van 25 oktober 2012 de loondoorbetaling aan betrokkene hervat.

1.8.

Bij besluit van 23 januari 2013 (bestreden besluit 1) heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

1.9.

Bij besluit van 29 april 2013 (besluit 3) heeft appellant betrokkene opgedragen om op basis van tijdelijke detachering van 13 mei 2013 tot 9 november 2013 werkzaamheden te verrichten als brandwacht bij het ministerie van Defensie, Commando Luchtstrijdkrachten Ministerie van Defensie op vliegbasis Woensdrecht te Hoogerheide.

1.10.

Betrokkene heeft appellant gemeld op 6 mei 2013 op vakantie te gaan. Desgevraagd heeft hij appellant te kennen gegeven dat hij op 21 mei 2013 zal terugkeren. Bij brief van

14 mei 2013 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij voor een kennismakingsgesprek met kapitein K en een introductie van zijn detachering en werkzaamheden bij Defensie op

28 mei 2013 op vliegbasis Woensdrecht wordt verwacht, dat de detachering op 3 juni 2013 start en dat hij die datum op de vliegbasis wordt verwacht. Bij e-mailbericht van eveneens

14 mei 2013 heeft appellant betrokkene uitgenodigd voor een gesprek over het re-integratietraject op 24 mei 2013. Voor dat gesprek heeft appellant zich per e-mailbericht afgemeld en daarvoor als reden gegeven dat hij in verband met ziekte tijdens de eerste week van zijn vakantie een week heeft bij laten boeken en dat hij pas op 25 mei 2013 terug komt. Bij e-mailbericht van 21 mei 2013 heeft appellant betrokkene uitgenodigd voor een gesprek over het re-integratietraject op 31 mei 2013, hem de inhoud van de brief van 14 mei 2013 meegedeeld en hem eraan herinnerd dat hij op 30 mei 2013 een afspraak heeft met de bedrijfsarts.

1.11.

Bij besluit van 24 mei 2013 (besluit 4) heeft appellant de loondoorbetaling aan betrokkene gestaakt met ingang van 24 mei 2013 op de grond dat betrokkene geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging voor het gesprek op 24 mei 2013 en daardoor onvoldoende medewerking heeft verleend aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak.

1.12.

Betrokkene heeft appellant per e-mailbericht van 28 mei 2013 meegedeeld dat hij ziek is. Diezelfde dag is betrokkene bezocht door een verzuimbegeleider van de arbodienst. Hij is die dag niet op het gesprek met K en de introductie op vliegbasis Woensdrecht verschenen en heeft zich op 3 juni 2013 niet op de vliegbasis gemeld. Voorts is betrokkene op 30 mei 2013 niet op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest en heeft hij zich afgemeld voor het gesprek met appellant over het re-integratietraject op 31 mei 2013 en daarvoor als reden opgegeven dat hij zich ziek heeft gemeld.

1.13.

Nadat appellant daartoe het voornemen daartoe had geuit en betrokkene zijn zienswijze had gegeven, heeft appellant bij besluit van 8 juli 2013 (besluit 5), bij wijze van ten uitvoerlegging van het bij besluit 2 gegeven voorwaardelijk ontslag, betrokkene met ingang van de derde werkdag na verzending daarvan onvoorwaardelijk ontslag verleend. Appellant heeft betrokkene verweten dat:

  • -

    hij op 20 mei 2013 zijn vakantie zonder overleg en zonder daarvoor toestemming te hebben gevraagd of verkregen met een week heeft verlengd;

  • -

    hij 28 mei 2013 zonder geldige reden niet is verschenen op het kennismakinggesprek met K op vliegbasis Woensdrecht;

  • -

    hij 30 mei 2013 zonder voorafgaand bericht niet is verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts;

  • -

    hij 31 mei 2013 zonder geldige reden niet is verschenen op het gesprek met appellant over het re-integratietraject en dat hij zich op 3 juni 2013 zonder voorafgaande kennisgeving niet heeft gemeld op de vliegbasis Woensdrecht en zonder geldige reden de passende werkzaamheden aldaar niet is gaan verrichten.

1.14.

Bij besluit van 7 oktober 2013 (bestreden besluit 2), voor zover van belang, heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten 3, 4 en 5 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de besluiten 1 tot en met 5 herroepen. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven inzake de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen en inzake griffierecht.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

staken van de loondoorbetaling met ingang van 27 augustus 2012

3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene niet heeft gereageerd op het e-mailbericht van 22 augustus 2012, dat hij voor appellant telefonisch niet bereikbaar was en dat hij geen afspraak met S heeft gemaakt tegen de vroegst mogelijke datum. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene daarmee geen gevolg heeft gegeven aan redelijke voorschriften. Betrokkene heeft weliswaar gesteld dat de bedrijfsarts hem te verstaan heeft gegeven dat hij geen rechtstreeks contact met appellant mocht hebben en dat het opnemen van contact zijn gezondheid zou schaden, maar deze stelling heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Uit de rapportage van de bedrijfsarts waarvan de inhoud hiervoor onder 1.2 is weergegeven kan dat niet worden afgeleid.

3.2.

Door geen gevolg te geven aan de hem door appellant gegeven redelijke voorschriften is betrokkene de ingevolge artikel 7:11, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (Reglement) op hem rustende verplichting niet nagekomen. Nu deze voorschriften erop waren gericht betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten, was appellant op grond van

artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder a, van het Reglement gehouden de doorbetaling van de bezoldiging te staken voor de duur dat betrokkene zijn medewerking weigerde. Appellant heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door het niet nakomen van de hiervoor genoemde verplichting te kwalificeren als een plichtsverzuim dat betrokkene is toe te rekenen en te oordelen dat de maatregel van staking van de bezoldiging niet in verhouding staat tot het plichtsverzuim. Appellant heeft immers met het staken van de bezoldiging betrokkene geen disciplinaire straf wegens toerekenbaar plichtsverzuim opgelegd, maar toepassing gegeven aan de hiervoor weergegeven bepalingen van het Reglement. In dat kader bestaat geen ruimte te oordelen of sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim en of het staken van de bezoldiging niet onevenredig is aan de aard en de ernst van de overtreding die de betrokkene heeft begaan.

voorwaardelijk strafontslag

3.3.

Vaststaat dat betrokkene niet is verschenen op de afspraak met S op 10 september 2012. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de daarvoor opgegeven reden niet als een geldige reden om niet te verschijnen kan worden aangemerkt. Dat het vliegtuig waarmee betrokkene naar Nederland reisde vertraging had, is een omstandigheid die voor rekening en risico van betrokkene dient te blijven. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat betrokkene de andere onder 1.6 genoemde gedragingen heeft begaan. Aldus heeft betrokkene zich niet gedragen naar de regels van het Verzuimprotocol voor medewerkers Veiligheidsregio

Midden- en West-Brabant (Verzuimprotocol) waarin onder meer is bepaald dat de medewerker pro-actief meewerkt aan zijn re-integratie, medewerking verleent aan maatregelen om de re-integratie te bevorderen en gedurende de ziekteperiode contact houdt met en bereikbaar is voor zijn leidinggevende om hem te informeren over het verloop van het verzuim. Dat betekent dat betrokkene de ingevolge artikel 7:11, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement genoemde verplichting niet is nagekomen en appellant op grond van artikel 7:14, eerste lid, van het Reglement gehouden was betrokkene wegens plichtsverzuim disciplinair te straffen. Appellant heeft besloten om betrokkene met toepassing van artikel 8:13 en 16:1:2, derde lid, van het Reglement ongevraagd ontslag te verlenen en te bepalen dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd indien betrokkene zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim.

3.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat deze straf niet in verhouding staat tot het plichtsverzuim. Deze beroepsgrond slaagt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant betrokkene als bijlage bij de brief van 17 augustus 2012 het Verzuimprotocol heeft toegezonden en hem bij besluit 1 heeft meegedeeld dat het handelen in strijd met het Verzuimprotocol als plichtsverzuim wordt aangemerkt en voor appellant een grond oplevert betrokkene disciplinair te straffen. Betrokkene was derhalve een gewaarschuwd man. Door niettemin in strijd te handelen met het verzuimprotocol heeft betrokkene welbewust het risico genomen dat appellant tot voorwaardelijk disciplinair ontslag zou overgaan.

verhaal van schade

3.5.

De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant in redelijkheid niet kon komen tot het besluit om de (geringe) schade die is ontstaan doordat betrokkene op 10 september niet op de afspraak met S is verschenen, te verhalen op betrokkene. Anders dan appellant aanvoert, is de rechtbank met dit oordeel niet buiten de omvang van het geding getreden. Toen hij beroep instelde tegen bestreden besluit 1, heeft betrokkene expliciet te kennen gegeven het niet eens te zijn met het schadeverhaal van appellant.

3.6.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank onjuist is omdat de schade enkel aan betrokkene te wijten is. Deze beroepsgrond treft geen doel. Artikel 15:1:12, eerste lid, van het Reglement bevat een specifieke rechtspositionele bepaling voor de verhaalsmogelijkheden op de ambtenaar die schade toebrengt aan de werkgever. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 28 april 1994, ECLI:NL:CRVB:1994, AK5743 en van 19 mei 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5054) dient een bepaling als hier aan de orde aldus te worden uitgelegd dat eerst van de daarin vervatte bevoegdheid tot het verhalen van door de dienst geleden schade op de ambtenaar gebruik gemaakt kan worden indien deze ambtenaar op een verwijtbare wijze een nodeloos risico heeft genomen, waaraan is toegevoegd dat in het algemeen sprake zal moeten zijn van een aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende ernstige verwijtbaarheid. In dit geval, waarin het gaat om schade als gevolg van het op korte termijn afzeggen van een afspraak met een door het bestuursorgaan ingeschakelde bemiddelaar, bestaat geen aanleiding op deze maatstaf een uitzondering te maken. Betrokkene heeft als reden voor het late afzeggen van zijn afspraak met S gegeven dat zijn vliegtuig vertraging had. Appellant heeft de vertraging niet betwist en evenmin dat betrokkene als gevolg daarvan zijn afspraak met S niet tijdig heeft kunnen afzeggen. Gelet daarop heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene op verwijtbare wijze een nodeloos risico heeft genomen of dat sprake is van een aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van betrokkene.

opdracht om werkzaamheden te verrichten

3.7.

De opdracht om betrokkene op basis van tijdelijke detachering werkzaamheden bij Defensie te laten verrichten is gebaseerd op artikel 7:11, tweede lid, in verbinding met artikel 7:16, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement. De op de betrokkene ingevolge die bepalingen rustende verplichting om arbeid te verrichten ziet op passende arbeid. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder a, van het Reglement gaat het daarbij om alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

3.8.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, is het oordeel van de rechtbank dat de bij

besluit 3 aan betrokkene opgedragen werkzaamheden niet passend waren, juist. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust. Ook hij acht met name van belang dat de werkzaamheden die betrokkene bij Defensie moest gaan verrichten slechts in geringe mate afweken van de werkzaamheden bij de Veiligheidsregio waarvoor appellant nog arbeidsongeschikt was, dat betrokkene niet voldeed aan de aan de opgedragen functie verbonden opleidingseisen en dat de arbeidsdeskundige van het UWV blijkens een rapportage van 24 juni 2013 heeft geconcludeerd dat het aan betrokkene aangeboden werk, gelet op het feit dat betrokkene nog onder psychiatrische behandeling was en psychiatrische medicijnen gebruikte, niet passend was.

3.9.

Appellant heeft betoogd dat de rechtbank onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de Rapportage Arbeidsdeskundig onderzoek van Margolin, aan de bevindingen van de bedrijfsarts, aan de door K gegeven nadere toelichting op de door betrokkene bij Defensie te verrichten werkzaamheden en aan de opmerking van de arbeidsdeskundige van het UWV dat de gesprekken over een plaatsing van betrokkene op vliegbasis Woensdrecht kunnen worden opgepakt. Dit betoog wordt niet gevolgd. De arbeidsdeskundige van Margolin heeft weliswaar opgemerkt dat betrokkene in staat is om buiten de Veiligheidsregio te werken, dat zijn fysieke belastbaarheid niet is beperkt en dat zijn psychische beperkingen naar verwachting zullen afnemen indien hij een functie buiten de Veiligheidsregio kan vervullen, maar hiermee is niet gezegd dat toen appellant betrokkene het werk bij Defensie opdroeg, dat werk, gelet op de nog bij betrokkene bestaande psychische beperkingen, voor diens krachten was berekend. Dat appellant, zoals hij stelt, nog vóór het nemen van besluit 3 de functie bij Defensie ter beoordeling aan de bedrijfsarts heeft voorgelegd en dat de bedrijfsarts betrokkene toen in staat achtte dat werk te verrichten, vindt geen steun in de gedingstukken. Voorts kan uit de nadere toelichting van K weliswaar worden afgeleid dat Defensie bereid was om medewerking te verlenen aan de pogingen van appellant betrokkene via het tweede spoor te re-integreren, maar niet dat het werk dat appellant betrokkene bij Defensie had opgedragen voor diens krachten en bekwaamheden was berekend. Ook de omstandigheid dat de arbeidsdeskundige van het UWV betrokkene in staat achtte om een gesprek over een plaatsing op Woensdrecht aan te gaan, betekent niet dat het aan appellant opgedragen werk bij Defensie passend was.

staken van de loondoorbetaling met ingang van 24 mei 2013

3.10.

Vaststaat dat appellant zich op 20 mei 2013 heeft afgemeld voor een gepland gesprek op 24 mei 2013 om over het re-integratietraject te komen praten. Betrokkene heeft daarvoor als reden opgegeven dat hij in verband met ziekte tijdens de eerste week van zijn vakantie een week vakantie heeft bij laten boeken en dat hij pas op 25 mei 2013 terugkomt. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene, zo doende, geen medewerking heeft verleend aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak. De door betrokkene gestelde omstandigheid dat zijn re-integratie nog niet in het stadium verkeerde dat hij werkzaamheden kon verrichten, brengt niet mee dat hij had mogen afzien van een gesprek over zijn re-integratie. Het voorgaande betekent dat betrokkene de ingevolge artikel 7:11, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement op hem rustende verplichting niet is nagekomen en appellant op grond van artikel 7:14, tweede lid, aanhef en b, van het Reglement gehouden was de doorbetaling van de bezoldiging te staken voor de duur dat betrokkene zijn medewerking weigerde.

3.11.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet nakomen van de hiervoor genoemde verplichting als plichtsverzuim kan worden aangemerkt, maar dat zij er niet van overtuigd is dat dit plichtsverzuim verwijtbaar is. Als al sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim, dan is naar het oordeel van de rechtbank de staking van de loonbetaling met ingang van 24 mei 2013 niet evenredig aan het plichtsverzuim. Appellant heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank daarmee een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Appellant heeft immers met het staken van de bezoldiging betrokkene geen disciplinaire straf wegens toerekenbaar plichtsverzuim opgelegd, maar toepassing gegeven aan de hiervoor weergegeven bepalingen van het Reglement. In dat kader bestaat geen ruimte te oordelen of sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim en of het staken van de bezoldiging niet onevenredig is aan de aard en de ernst van de overtreding die de betrokkene heeft begaan.

tenuitvoerlegging van het strafontslag

3.12.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit tot voorwaardelijk ontslag niet in rechte stand kan houden en dat dat besluit moet worden herroepen, zodat dat besluit niet voor ten uitvoerlegging vatbaar is. Uit wat onder 3.4 is overwogen volgt dat de rechtbank het besluit tot voorwaardelijk ontslag ten onrechte niet in stand heeft gelaten. Anders dan de rechtbank heeft gedaan, moet daarom worden beoordeeld of de voorwaarde voor de ten uitvoerlegging is vervuld en, indien dat het geval is, of appellant de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en of hij in redelijkheid tot tenuitvoerlegging kon komen. Gezien het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging is deze belangenafweging van beperkte betekenis. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in geval de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld. De Raad verwijst naar zijn vaste rechtspraak (uitspraak van

10 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9744).

3.13.

Betrokkene heeft niet weersproken dat hij op 20 mei 2013 zonder overleg en zonder daarvoor toestemming te hebben gevraagd of verkregen zijn vakantie met een week heeft verlengd. Tussen partijen is evenmin in geschil dat betrokkene op 28 mei 2011, 30 mei 2011 en 31 mei 2011 niet is verschenen op respectievelijk het kennismakingsgesprek met K op vliegbasis Woensdrecht, het spreekuur van de bedrijfsarts en het gesprek met appellant over het re-integratietraject. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene daarvoor geen geldige reden had. Betrokkene heeft weliswaar per e-mailbericht van 28 mei 2013 meegedeeld dat hij ziek is, maar hij is diezelfde dag bezocht door een verzuimbegeleider van de arbodienst. De bedrijfsarts heeft op 3 juni 2013 gerapporteerd dat de verzuimbegeleider hem te kennen heeft gegeven dat van een andere, aanvullende ziekte bij betrokkene geen sprake was en dat het om de zelfde problematiek gaat die al sedert 19 juni 2012 speelt. De hiervoor genoemde gedragingen moeten worden aangemerkt als plichtsverzuim. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Nu betrokkene zich binnen de proeftijd van twee jaar heeft schuldig gemaakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor hem voorwaardelijk ontslag is verleend, was appellant bevoegd de straf van ontslag ten uitvoer te leggen. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan appellant van de tenuitvoerlegging van het strafontslag had moeten afzien.

conclusie

3.14.

Op grond van wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de oordelen en de beslissingen van de rechtbank over de staking van de loondoorbetaling met ingang van 27 augustus 2012, het voorwaardelijk strafontslag, het staken van de loondoorbetaling met ingang van 24 mei 2013 en de tenuitvoerlegging van het strafontslag. Het hoger beroep slaagt niet voor zover het is gericht tegen de oordelen en de beslissingen van de rechtbank over het verhaal van schade en de opdracht om werkzaamheden te verrichten. De Raad ziet omwille van de duidelijkheid aanleiding de aangevallen uitspraak in zijn geheel te vernietigen met uitzondering van de beslissing inzake griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad, met gegrondverklaring van de beroepen in zoverre, bestreden besluit 1 vernietigen voor zover dat ziet op het verhaal van schade en bestreden besluit 2 vernietigen, voor zover dat ziet op de opdracht werkzaamheden te verrichten. Tevens zal de Raad besluit 2 herroepen voor zover dat ziet op het verhaal van schade alsmede besluit 3.

4. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de (proces)kosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 487,- in bezwaar, € 1.461,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de beslissing inzake griffierecht;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 januari 2013 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover daarbij het verhaal van schade is gehandhaafd;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2013 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover daarbij de opdracht om werkzaamheden voor Defensie te verrichten is

gehandhaafd;

- herroept het besluit van 12 oktober 2012, voor zover appellant betrokkene de verplichting

heeft opgelegd de door hem geleden schade ten bedrage van € 100,- te vergoeden;

- herroept het besluit van 29 april 2013;

- verklaart de beroepen van betrokkene tegen het besluit van 23 januari 2013 en het besluit

van 7 oktober 2013 voor het overige ongegrond;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.922,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A Kooijman en

H.A.A.G. Vermeulen als leden in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD