Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13-3378 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede-terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Appellant moet voor wat de periode van 1 februari 2012 tot 1 april 2012 worden aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand van M over deze periode rekening had moeten worden gehouden en dat dit voor wat de periode daarvoor betreft niet het geval is. Dit brengt mee dat het college ten aanzien van eerstbedoelde periode niet en ten aanzien van laatstbedoelde periode wel bevoegd was de kosten van de aan M verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3378 WWB

Datum uitspraak: 2 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2013, 12/3684 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Luijendijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2014, gevoegd met de zaken 13/2933 WWB en 13/4718 WWB tussen [M.] (M) en het college. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Luijendijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F. Bakkenes-Minnaard. In de zaken 13/2933 WWB en 13/4718 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

M ontving sinds 18 mei 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant en M hebben samen drie kinderen, geboren op 1 juni 2005, 1 juli 2006 en 5 september 2009. Appellant stond ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van Veenendaal (GBA) geregistreerd op het [adres 1] te Veenendaal ([adres 1]) en M en de drie kinderen op het [adres 2] te Veenendaal ([adres 2]).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip van 7 februari 2012 dat appellant en M samenwonen op het [adres 2], heeft de sociale recherche van de gemeente Veenendaal (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan M verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche een dossieronderzoek en administratief onderzoek verricht, waarnemingen gedaan en met toestemming van de officier van justitie stelselmatige observaties verricht met inzet van een fotocamera. Ook is buurtonderzoek gedaan waarbij meerdere (voormalige) buurtbewoners als getuigen zijn gehoord. Verder zijn appellant en M verhoord en zijn huisbezoeken afgelegd op het [adres 2] en het [adres 1]. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 7 mei 2012.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

23 april 2012 de bijstand van M per 1 juni 2005 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juni 2005 tot 1 januari 2012 tot een bedrag van

€ 113.884,26 bruto en over de periode van 1 januari 2012 tot 1 april 2012 tot een bedrag van

€ 3.191,13 netto (€ 4.505,19 bruto) van M terug te vorderen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat M met appellant sinds 1 juni 2005 een gezamenlijke huishouding voert op het [adres 2], zodat zij geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 5 september 2012 heeft het college het bezwaar van M tegen dit besluit van 23 april 2012 gegrond verklaard en dit besluit herroepen, in die zin dat de terugvordering wordt verminderd met een bedrag van € 4.500,- in verband met door appellant betaalde onderhoudsbijdragen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 mei 2013 met registratienummer 12/3371, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 5 september 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden (nummers 13/2933 WWB en 13/4718 WWB) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 17 mei 2013 vernietigd, het beroep van M tegen het besluit van 5 september 2012 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 23 april 2012 herroepen, voor zover daarbij de bijstand van M is ingetrokken over de periode voor 1 februari 2012 en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen omtrent de hoogte van het terug te vorderen bedrag.

1.4.

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college de van M teruggevorderde bijstand mede van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 6 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 april 2012 gegrond verklaard en dit besluit in zoverre herroepen dat de terugvordering wordt verminderd met een bedrag van € 4.500,- in verband met door appellant betaalde onderhoudsbijdragen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt

- kort weergeven - dat een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat hij samen met M een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat het college artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB onjuist heeft toegepast, nu dit artikel als voorwaarde voor medeterugvordering stelt dat de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verstrekt indien de gezamenlijke huishouding aan het college was gemeld. Nu appellant met betaald werk meer verdiende dan de toepasselijke bijstandsnorm in de relevante periode, is aan deze voorwaarde niet voldaan. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 11 oktober 2011, ECLI:NL:RBDOR:2011:BT8309.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2.

De stelling van appellant dat artikel 59, tweede lid, van de WWB zich tegen terugvordering van de partner van een bijstandsgerechtigde verzet indien deze partner in de betreffende periode over een inkomen beschikte van meer dan de geldende bijstandsnorm, zodat aan het oordeel dat die bijstand ten onrechte niet als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend niet wordt toegekomen, heeft de Raad verworpen in zijn uitspraak van 6 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH0342. In de uitspraak van 18 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3570 heeft de Raad de door appellant aangehaalde uitspraak van de rechtbank Dordrecht vernietigd. Indien één van de tot het gezin of de gezamenlijke huishouding behorende personen over middelen beschikt die de toepasselijke bijstandsnorm of vermogensgrens overschrijden, staat dit aan bijstandverlening in de weg. Uit het aanvullende karakter van de WWB vloeit voort dat het rekening houden met de aanwezige middelen op overeenkomstige wijze dient te geschieden, indien met betrekking tot de gemaakte kosten van bijstand terugvordering aan de orde is. Dit betekent dat de terugvordering niet alleen is gericht op de persoon aan wie de bijstand is verleend, maar zich tevens uitstrekt tot de personen die in de bijstand bedoeld in de artikelen 3, 4, 11, vierde lid, en 18, eerste en vierde lid, van de WWB zijn begrepen. De beroepsgrond dat medeterugvordering niet mogelijk is omdat appellant een inkomen boven de geldende bijstandsnorm had, slaagt dan ook niet.

4.3.

In zijn in 1.3 genoemde uitspraak van heden, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, heeft de Raad geoordeeld dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant en M in de periode vanaf 1 februari 2012 een gezamenlijke huishouding voerden en onvoldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant en M in de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 januari 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad ziet geen aanleiding om in dit geding, waarin appellant gelijke gronden met betrekking tot oordeel over de gezamenlijke huishouding heeft aangevoerd als M, tot een ander oordeel te komen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellant voor wat de periode van 1 februari 2012 tot 1 april 2012 moet worden aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand van M over deze periode rekening had moeten worden gehouden en dat dit voor wat de periode daarvoor betreft niet het geval is. Dit brengt mee dat het college ten aanzien van eerstbedoelde periode niet en ten aanzien van laatstbedoelde periode wel bevoegd was de kosten van de aan M verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de bevoegdheid tot terugvordering ontbreekt voor zover het de periode voor 1 februari 2012 betreft.

4.5.

Gelet op wat is overwogen in 4.4 slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 6 september 2012 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding, zal de Raad het college opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van hiervoor onder 4.4 is overwogen.

5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep aan verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 september 2012;

- draagt het college op met inachtneming van wat onder 4.4. is overwogen opnieuw te

beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 24 april 2012;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.S. Boomhouwer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD

+B