Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13-2647 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Onjuiste aangifte IB door appellant. Onjuiste aangifte voor overleden echtgenote. Nevenwerkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/35

Uitspraak

13/2647 AW, 13/2648 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

4 april 2013, 12/1774 en 12/2398 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.B. Vandeginste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vandeginste en de staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.B. Honders.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1988 werkzaam bij de Belastingdienst, aanvankelijk in deeltijd als fagottist van de Douaneharmonie, vanaf 1995 tevens gedeeltelijk als groepsfunctionaris B Douane, in welke hoedanigheid hij in 1998 is benoemd tot buitengewoon opsporingsambtenaar. Door de gevolgen van een verkeersongeval is hij sinds april 2002 voor twaalf uur per week werkzaam geweest als medewerker Douane, groepsfunctie B, en voor

8 uur per week als fagottist bij de Douaneharmonie.

1.2.

In april 2008 is de toenmalige echtgenote van appellant overleden. Hierna heeft appellant de door haar gedreven onderneming op het gebied van thuiszorg op kleinere schaal voortgezet.

1.3.

In 2010 heeft appellant voor zichzelf en zijn overleden echtgenote aangiften inkomstenbelasting (IB) en premie volksverzekeringen (Pvv) over 2008 ingediend. Deze aangifte was verzorgd door de zwager van appellant, Z, die werkzaam was bij een administratiekantoor. Na een gesprek met een inspecteur van de Belastingdienst op

8 februari 2011 heeft Z ook de aangifte IB 2007 van de overleden echtgenote ingediend. Bij brief van 15 februari 2011 heeft de Belastingdienst aan appellant een aantal vragen gesteld, die appellant bij brief van 8 maart 2011 schriftelijk heeft beantwoord.

1.4.

Bij besluit van 30 maart 2011 is appellant geschorst in het belang van de dienst en is hem de toegang tot de gebouwen ontzegd. Op 5 april 2011 heeft appellants teamleider met appellant gesproken en is aan hem meegedeeld dat er een integriteitsonderzoek zal worden ingesteld.

1.5.

Bij brieven van 8 april 2011 is aan appellant meegedeeld dat het voornemen bestond om van zijn aangiften over de jaren 2007 en 2008 af te wijken. Bij besluit van 24 mei 2011 zijn de schorsing en ontzegging van de toegang verlengd tot 1 augustus 2011. Op 1 juli 2011 heeft een belastingadvieskantoor namens appellant nieuwe aangiften IB/Pvv ingediend over de jaren 2007 tot en met 2010. Bij besluit van 14 juli 2011 zijn de schorsing en ontzegging toegang verlengd tot 1 oktober 2011.

1.6.

Bij brief van 30 augustus 2011 is appellant ten laste gelegd dat hij:

1) over het jaar 2008 een onjuiste aangifte IB voor zichzelf heeft ingediend;

2) over de jaren 2007 en 2008 onjuiste aangiften IB voor zijn overleden echtgenote heeft ingediend;

3) voor privédoeleinden gebruik heeft gemaakt van dienstmiddelen;

4) nevenwerkzaamheden heeft verricht zonder daarvan schriftelijk mededeling te doen;

5) niet gehandeld heeft overeenkomstig de basiswaarden van de Belastingdienst.

Appellant heeft zijn zienswijze hierop ingediend.

1.7.

Na een voornemen daartoe van 19 oktober 2011 heeft de staatssecretaris bij besluit van 25 november 2011 appellant wegens plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, ingaande twee dagen na dagtekening van dit besluit.

1.8.

Bij besluit van 23 september 2011 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen de schorsing en ontzegging van de toegang ongegrond verklaard. Bij besluit van

8 juni 2012 (bestreden besluit) is het strafontslag na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van

23 september 2011 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1.

Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het ongegrond verklaren door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit.

3.2.

Het plichtsverzuim, genoemd onder 1.6 als punt 3, wordt hem niet langer verweten.

Punt 5 is een samenvattende kwalificatie van de overige punten als niet handelen overeenkomstig de basiswaarden van de Belastingdienst.

3.3.

Ten aanzien van punt 1 en 2 is tussen partijen niet in geschil dat er aanzienlijke fouten zijn gemaakt in genoemde aangiften, waarbij het gaat om substantiële bedragen. Met name dit is appellant zwaar aangerekend. Hierbij is van belang dat de staatssecretaris hoge eisen stelt aan ambtenaren van de Belastingdienst met betrekking tot het nakomen van hun fiscale verplichtingen met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van die dienst. De Raad heeft die gedragslijn al meermalen acceptabel geacht, ook ten aanzien van ambtenaren die geen fiscale functie bekleden (zie bijvoorbeeld CRvB 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1950). Met het doen van deze aangiften heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Dat appellant dit grotendeels heeft overgelaten aan Z maakt dat niet anders. Hij blijft hiervoor zelf verantwoordelijk en de fouten kunnen dus aan appellant worden toegerekend. De staatssecretaris heeft hierbij terecht van belang geacht dat appellant niet onmiddellijk nadat er vragen werden gesteld over de aangiften heeft gezorgd voor correctie. Het betrof in elk geval deels ook voor een niet deskundige op fiscaal gebied duidelijk herkenbare fouten en appellant diende zich bewust te zijn van zijn bijzondere positie als ambtenaar van de Belastingdienst. Bij die dienst wordt ook veel aandacht besteed aan het onderwerp integriteit, speciaal ook in verband met fiscale activiteiten. Dat appellant in juli 2011 nieuwe, gecorrigeerde aangiften heeft ingediend en hem geen boete is opgelegd, is onvoldoende om dit plichtsverzuim ongedaan te maken.

3.4.

Met betrekking tot het niet melden van nevenwerkzaamheden heeft appellant aangevoerd dat het voortzetten van de onderneming van zijn echtgenote op zodanig beperkte schaal gebeurde, dat hem niet kan worden verweten dat hij dit niet heeft gemeld. Verder zou hij dit wel met zijn leidinggevende en met iemand van personeelszaken hebben besproken. De Raad volgt appellant niet in zijn zienswijze dat op dit punt geen sprake is van plichtsverzuim. Appellant heeft de onderneming van zijn echtgenote voortgezet onder een aangepaste naam en heeft die onderneming ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Verder maakte appellant in dat kader gebruik van de startersaftrek. Het betreft dus commerciële activiteiten, die ondanks een beperkte omvang schriftelijk hadden moeten worden gemeld. Of die activiteiten de belangen van de Belastingdienst zouden kunnen schaden, had hij ter beoordeling aan zijn werkgever moeten voorleggen.

3.5.

Gezien het vorenstaande is sprake van plichtsverzuim van een zodanige aard en ernst, zeker gezien de functie van appellant, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten.

4. Het hoger beroep van appellant treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD