Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13-5234 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5873, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Verzwegen bankrekeningen. Niet overleggen van gevraagde bankafschriften. Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag. Terugvordering voorschotten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5234 WWB, 14/1172 WWB

Datum uitspraak: 2 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

8 augustus 2013, 12/4538 (aangevallen uitspraak 1) en van 16 januari 2014, 13/4482 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben over en weer gereageerd, waarbij appellant nog bankafschriften heeft toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgevonden op 21 oktober 2014.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 6 februari 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Het college ontving informatie van de Belastingdienst waaruit bleek dat appellant eind 2010, naast twee andere bankrekeningen, een niet door hem bij het college gemelde spaarrekening had bij Argenta Spaarbank N.V., waarop een bedrag van ruim € 13.000,- stond. Het college heeft appellant uitgenodigd voor een gesprek op 22 februari 2012, en daarbij verzocht om over de periode vanaf 1 januari 2010 bankafschriften van deze drie bankrekeningen in te leveren. Daarop heeft appellant niet gereageerd. Vervolgens heeft het college de bijstand van appellant en zijn echtgenote met ingang van 22 februari 2012 opgeschort op de grond dat de over de bankrekeningen gevraagde informatie niet tijdig was ingeleverd. Het college heeft hen in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen en hen uitgenodigd voor een gesprek op 7 maart 2012. Tevens zijn appellant en zijn echtgenote erop gewezen dat de bijstand wordt ingetrokken als zij niet verschijnen en/of de gegevens niet inleveren. Tegen dit opschortingsbesluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Appellant heeft op 6 maart 2012 gebeld met een medewerker van het college en meegedeeld dat hij wegens ziekte niet in staat is op 7 maart 2012 de gevraagde informatie in te leveren. Daarop heeft de medewerker appellant gezegd dat diens echtgenote de gevraagde informatie dan moest komen inleveren. Appellant heeft geantwoord dat hij dat niet wilde. Nadien heeft een medewerker van het college tweemaal tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met appellant te krijgen.

1.4.

Bij besluit van 19 maart 2012, na bezwaar van appellant gehandhaafd bij besluit van

6 september 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant en zijn echtgenote met ingang van 22 februari 2012 ingetrokken en de over de periode van

22 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 350,24 van hen teruggevorderd.

1.5.

Op 2 augustus 2012 hebben appellant en zijn echtgenote zich gemeld bij het UWV Werkbedrijf voor het doen van een aanvraag om bijstand. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellant en zijn echtgenote bij brieven van 8 en 15 november 2012 verzocht - onder meer - alle afschriften van de nader genoemde rekeningnummers over de periode van 15 mei 2012 tot en met 10 augustus 2012 te overleggen.

1.6.

Het college heeft de aanvraag om bijstand van 2 augustus 2012 bij besluit van

3 december 2012 afgewezen op de grond dat appellant en zijn echtgenote niet hebben voldaan aan de verplichting om de gevraagde inlichtingen te verstrekken, waardoor hun recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij besluit van dezelfde datum heeft het college de verstrekte voorschotten ten bedrage van € 2.405,56 van hen teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 10 juni 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college de tegen de besluiten van 3 december 2012 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking van bijstand

4.1.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de intrekking van de bijstand met ingang van 22 februari 2012 kon worden gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de WWB. Volgens appellant duidt de onderliggende rapportage op toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB, te weten dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bovendien is het intrekkingsbesluit volgens appellant op dit punt onduidelijk.

4.1.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat er ook zij van de rapportage, in het besluit van

19 maart 2012 is onder het kopje juridische grondslag verwezen naar: “inlichtingenver-

plichting en intrekken uitkering met ingang van de eerste dag waarover het recht is opgeschort: artikelen 17 en 54 lid 4 van de WWB”. In het bestreden besluit 1 is bevestigd dat deze grondslag is gehanteerd, zodat de rechtbank hiervan terecht is uitgegaan.

4.2.1.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij wegens psychische klachten niet in staat was de gevraagde stukken op 7 maart 2012 in te leveren. Hij heeft daarvoor verwezen naar door hem ingezonden medische informatie. Ook zijn echtgenote was daartoe volgens hem niet in staat, vanwege zwangerschapsklachten.

4.2.2.

Uit de overgelegde medische informatie is niet op te maken dat appellant of zijn echtgenote, die in augustus 2012 is bevallen, op 7 maart 2012 op medische gronden niet in staat was de gevraagde informatie in te leveren.

4.3.1.

Appellant heeft verder nog naar voren gebracht dat een medewerker van het college na het telefoongesprek op 6 maart 2012 nog tweemaal telefonisch contact heeft gezocht met appellant. Hij leidt uit de gemeentelijke rapportage van 14 maart 2012 af dat hem zwaar wordt aangerekend dat hij niet heeft gereageerd op twee ingesproken voicemailberichten. Nu appellant nog een kans is geboden, vindt hij dat de bijstand niet met ingang van de eerdere opschortingsdatum mag worden ingetrokken.

4.3.2.

Dat het college nog heeft getracht contact te zoeken met appellant, neemt niet weg dat appellant de uiterste termijn van 7 maart 2012 om het verzuim te herstellen ongebruikt voorbij heeft laten gaan. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zowel hij als zijn echtgenote buiten staat was de gevraagde informatie te verstrekken, heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken van de hem in artikel 54, vierde lid, van de WWB gegeven bevoegdheid de bijstand met ingang van 22 februari 2012 in te trekken.

4.4.

Uit 4.1.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Nieuwe aanvraag.

5.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode betreft de datum waarop appellant zich heeft gemeld bij het UWV Werkbedrijf tot en met de datum waarop de aanvraag is afgewezen, in dit geval van 2 augustus 2012 tot en met 3 december 2012 (beoordelings- periode).

5.2.1.

Zoals vastgesteld ter zitting is niet in geschil dat appellant niet alle door het college gevraagde bankafschriften over de periode van 15 mei 2012 tot en met 10 augustus 2012 heeft verstrekt, en dat dit voor zijn rekening dient te komen, ook voor zover deze afschriften niet meer te verkrijgen zijn. Appellant vindt evenwel dat aan de hand van de wel ingeleverde afschriften en de door hem gemaakte overzichten van afschrijvingen kan worden geconstateerd dat hij en zijn echtgenote indertijd verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden. Dat blijkt volgens appellant ook uit het feit dat het college aan hen met ingang van 16 januari 2013 wel bijstand heeft toegekend.

5.2.2.

Van de bankrekening met het nummer eindigend op 933 ontbreken de bankafschriften over de periode van 15 mei 2012 tot en met 10 juli 2012. Van de bankrekening met het nummer eindigend op 088 ontbreken de bankafschriften over de periode van 15 mei 2012 tot en met 10 augustus 2012. Dat appellant over deze periode zelf een overzicht van afschrijvingen van deze bankrekeningen heeft opgesteld, laat onverlet dat appellant hiermee onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn inkomens- en vermogenspositie in de drie maanden voorafgaande aan de aanvraag om bijstand. Het college heeft deze informatie terecht van belang geacht en heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellant over de beoordelingsperiode niet kan worden vastgesteld, omdat niet kan worden nagegaan of sprake was van bijstandbehoevende omstandigheden. Dat het college de over de drie maanden voorafgaand aan 16 januari 2013 verstrekte informatie voldoende heeft geacht om met ingang van 16 januari 2013 wel bijstand toe te kennen doet daaraan niet af, omdat het in het hier aan de orde zijnde geschil gaat om de informatie over de drie maanden voorafgaand aan de beoordelingsperiode.

5.3.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d (oud) van de WWB is het college, anders dan appellant aanvoert, bevoegd de verstrekte voorschotten terug te vorderen, nu geen recht op bijstand bestaat. Het college voert het beleid dat dan tot terugvordering wordt overgegaan, tenzij sprake is van dringende redenen om daarvan af te zien. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat in de gestelde psychische problemen van appellant voor het college geen grond was gelegen om van terugvordering van de verstrekte voorschotten af te zien. Ook het feit dat appellant, zoals hij stelt, bekend is met grote schulden en dat hij gedurende langere tijd geen bijstand heeft ontvangen, behoefde voor het college niet een dringende reden op te leveren om van terugvordering af te zien. Daarbij is van belang dat appellant bij de verstrekking van het eerste voorschot erop is gewezen dat het voorschot moet worden terugbetaald indien uit onderzoek blijkt dat hij geen recht heeft op een uitkering.

5.4.

Gelet op wat in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen slaagt het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat ook deze uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.C.F. Talman en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) O.P.L. Hovens

HD