Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
13-3737 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie van het college dat appellant en A niet duurzaam gescheiden leefden. Schending inlichtingenverplichting door niet bij het college te melden dat hij niet duurzaam gescheiden leefde van A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3737 WWB

Datum uitspraak: 2 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
7 juni 2013, 12/4158 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Coxon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 13/3478 WWB, plaatsgevonden op

21 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Coxon. Het college is, met bericht, niet verschenen. In de zaak 13/3478 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en [A.] (A) hebben vanaf 28 april 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden ontvangen. Zij zijn tot 15 augustus 2014 met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn kinderen geboren.

1.2.

In september 2011 hebben appellant en A het college gemeld dat zij per 5 september 2011 duurzaam gescheiden van elkaar leven en dat de minderjarige kinderen bij A blijven wonen. Sinds 5 september 2011 ontving appellant bijstand naar de norm voor alleenstaande. A ontving sinds die datum bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf

29 maart 2012 hebben appellant en A weer bijstand naar de norm voor gehuwden ontvangen.

1.3.

Vanaf 1 mei 2008 stonden appellant en A in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amersfoort (GBA) ingeschreven op het adres

[adres 1] te [plaatsnaam]. Van 5 september 2011 tot 8 maart 2012 stond appellant in de GBA ingeschreven op de [adres 2] te [plaatsnaam]. Van 8 maart 2012 tot

29 maart 2012 stond appellant ingeschreven op de [adres 3] te [plaatsnaam]. Vanaf laatstgenoemde datum tot 17 september 2012 stond appellant weer geregistreerd op het adres [adres 1] waar A onveranderd heeft gewoond.

1.4.

Naar aanleiding van een signaal van 29 november 2011, voortkomend uit een door het Wijk Interventie Team van de gemeente [plaatsnaam] verrichte themacontrole Kamerbewoning voor het adres [adres 2] te [plaatsnaam], hebben medewerkers van de Hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de gemeente Amersfoort een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn bij de woningen van appellant en A waarnemingen verricht, huisbezoeken afgelegd en buurtbewoners gehoord. Voorts zijn appellant en A gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 maart 2012.

1.5.

Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 3 april 2012 de bijstand van appellant over de periode van 5 september 2011 tot 21 maart 2012 ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.269,27 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college het besluit van 3 april 2012 gewijzigd, in die zin dat een bedrag van € 6.450,82 wordt teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 11 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 april 2012, zoals gewijzigd bij besluit van 16 april 2012, ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, anders dan hij aan het college heeft gemeld, sinds 5 september 2011 niet duurzaam gescheiden van A heeft geleefd en niet als ongehuwd kan worden aangemerkt. Appellant heeft niet als zelfstandig subject recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting is aan appellant ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het college hem in de periode die ter beoordeling staat, de periode van 5 september 2011 tot 1 maart 2012, ten onrechte niet als duurzaam gescheiden levende echtgenoot heeft aangemerkt.

4.2.

Vaststaat dat appellant en A in de hier aan de orde zijnde periode gehuwd waren. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. De omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.

4.4.

De onderzoeksbevindingen bieden, anders dan appellant meent, een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie van het college dat appellant en A in de periode van 5 september 2011 tot 1 maart 2012 niet duurzaam gescheiden leefden. Appellant huurde in deze periode weliswaar een kamer op een ander adres, maar was, zoals hij ter zitting van de Raad ook heeft verklaard, dagelijks meerdere malen aanwezig in de woning van A. Dit wordt bevestigd door drie buurtbewoners, die vele jaren in de [straatnaam] wonen, en die op 13 en 14 maart 2012 hebben verklaard dat op het adres van A al ongeveer zes jaar een man en een vrouw wonen met hun kinderen en dat zij de man en zijn auto vaak zien bij de woning van A. Uit de verklaringen blijkt niet dat de woon- en leefsituatie van appellant en A in de hier aan de orde zijnde periode anders was dan vóór september 2011, waarin zij als gezin leefden. Voorts heeft D. [C.], een bewoner van de woning op de [adres 2], op 3 februari 2012 verklaard dat hij sinds 2009 op dit adres verblijft en dat appellant daar een kleine kamer huurt, maar er bijna nooit is omdat hij nog een vrouw en kinderen heeft. Voor de stelling van appellant dat hij uitsluitend voor het ophalen en brengen van de kinderen bij A kwam bieden de onderzoeksbevindingen geen aanknopingspunten. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant daar ook kwam om zijn post op te halen en om op verzoek van A in te grijpen als zij problemen had met de tweelingdochters. Daarbij komt dat appellant en A tijdens het verhoor op 27 maart 2012 hebben verklaard dat zij eigenlijk helemaal niet van elkaar wilden scheiden, maar dat appellant vanwege problemen met de tweelingdochters het huis uit was gegaan. In mei 2012 hebben zij de eerder ingezette echtscheidingsprocedure stopgezet. Uit de hier aangehaalde onderzoeksbevindingen blijkt dat in de te boordelen periode geen sprake is geweest van een situatie waarbij ieder afzonderlijk zijn eigen leven heeft geleid als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig was bedoeld.

4.5.

Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door niet bij het college te melden dat hij in de periode van 5 september 2011 tot 21 maart 2012 niet duurzaam gescheiden leefde van A. Als gevolg van die schending heeft het college aan appellant over deze periode ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Dit betekent dat het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand over deze periode in te trekken. De wijze van uitoefening van die bevoegdheid heeft appellant niet bestreden.

4.6.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze buiten bespreking wordt gelaten.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.S. Boomhouwer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD