Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
13-4304 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verblijf in buitenland in het weekend.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/12 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
NJB 2014/2288
RSV 2014/273
AB 2015/53 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4304 WWB

Datum uitspraak: 2 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 juli 2013, 13/2726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hulsbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Voor appellant is

mr. Hulsbosch verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. Catakli.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 18 april 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een onderzoek naar aanleiding van een door het college ontvangen vermogenssignaal heeft appellant op 12 oktober 2012 verklaard dat hij elk weekend naar België reist om zijn partner en zijn kinderen te bezoeken.

1.3.

Bij besluit van 30 oktober 2012, voor zover hier van belang, heeft het college over de jaren 2010, 2011 en 2012 de bijstand van appellant herzien. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant in de jaren 2010 en 2012, gelet op het feit dat hij de weekenden in België verblijft en omdat hij in die jaren al langer dan de maximale duur van vier weken in het buitenland had verbleven, één dag per week geen recht heeft op bijstand. Wat 2011 betreft is dat per 17 juli 2011 het geval. Het college heeft de op die dagen betrekking hebbende kosten van bijstand van appellant teruggevorderd.

1.4.

Blijkens een uitkeringsspecificatie van 26 november 2012 heeft het college over de maanden januari tot en met oktober 2012 de bijstand van appellant (eveneens) gekort in verband met individuele omstandigheden.

1.5.

Het college heeft de tegen de besluiten van 30 oktober 2012 en 26 november 2012 gerichte bezwaren bij besluit van 18 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat een betrokkene die per jaar langer dan vier weken verblijf houdt in het buitenland geen recht heeft op bijstand. Het beroep van appellant op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt volgens de rechtbank niet, omdat de bescherming van die bepaling niet zover strekt dat het bijstandverlenend orgaan verplicht is de betrokkene financieel in staat te stellen om het recht op contact van een ouder met een kind uit te oefenen wanneer dat kind in een ander land woont. Gelet hierop bestaat ook geen recht op bijstand wanneer langer dan vier weken per jaar in het buitenland wordt verbleven om daar wonende kinderen te bezoeken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep, op de hierna te bespreken gronden, tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, onder e, van de WWB heeft, voor zover hier van belang, geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland. Appellant voert in de eerste plaats aan dat dit artikel in zijn geval geen toepassing vindt.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode van 18 april 2010 tot en met

30 oktober 2012 van maandag tot en met zaterdagochtend in Nederland verbleef en daar betaalde werkzaamheden verrichtte, en dat hij telkens op zaterdag na afloop van die werkzaamheden naar zijn partner en kinderen in België vertrok, om dan datzelfde weekend op zondag weer terug te keren in Nederland.

4.3.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 juli 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD8765) heeft overwogen, zijn de in artikel 11, eerste lid, en 13, eerste lid, aanhef en onder d (sinds 1 januari 2011 onder e), en vierde lid, van de WWB gestelde eisen inzake woon- en verblijfplaats, in de wet opgenomen om de inschakeling van betrokkenen in het arbeidsproces niet te frustreren en om controle op de rechtmatigheid van het verlenen van de bijstand mogelijk te maken. Het college betwist niet dat deze doelstellingen in het geval van appellant niet in het gedrang zijn gekomen. Appellant werkte van maandag tot en met zaterdagochtend in Nederland. Hij nam deel aan het arbeidsproces en was beschikbaar voor verdere inschakeling. De omstandigheid dat hij een deel van het weekend in België verbleef, stond niet in de weg aan controle door het college op de rechtmatigheid van het verlenen van de bijstand. Appellant heeft zich niet onttrokken aan een juiste uitvoering van de WWB (TK, vergaderjaar 2002-2003, 28 870,

nr. 3, p. 44). Het periodieke, korte verblijf buiten Nederland leidt er onder de bijzondere omstandigheden van dit geval niet toe dat onverkorte bijstandverlening strijd zou komen met het in de WWB neergelegde territorialiteitsbeginsel. Dit betekent dat het college appellant ten onrechte met toepassing van artikel 13, eerste lid, onder e, van de WWB voor een dag in de week heeft uitgesloten van het recht op bijstand.

4.4.

Gelet op wat in 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 30 oktober 2012 herroepen voor zover die besluiten betrekking hebben op de herziening van de bijstand in verband met verblijf in het buitenland en de terugvordering (geheel). Het terugvorderingsbesluit, dat tevens verband houdt met de door appellant in de te beoordelen periode genoten inkomsten en een overschrijding van het voor appellant geldende vrij te laten vermogen, moet immers als één geheel worden beschouwd, omdat dit is uitgemond in één bedrag aan teruggevorderde bijstand. Het college zal een nieuwe berekening moeten maken om vast te stellen welk terugvorderingsbedrag gemoeid is met de inkomsten en de overschrijding van het voor appellante geldende vrij te laten vermogen. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Omdat het nog slechts gaat om een financiële uitwerking acht de Raad toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - definitieve geschilbeslechting niet aangewezen. De Raad zal het college op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit te nemen.

5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2013 gegrond;

- vernietigt het besluit van 18 maart 2013, voor zover het de herziening van bijstand in

verband met verblijf in het buitenland en de terugvordering (geheel) betreft;

- herroept het besluit van 30 oktober 2012, voor zover dit de herziening in verband met

verblijf in het buitenland betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt

van het vernietigde gedeelte van het besluit van 18 maart 2013;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar van appellant te nemen met betrekking tot de terugvordering;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en P.W. van Straalen en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD