Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
13-1682 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:978, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-overlijdensuitkering. De echtgenoot van appellante was op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA voor de toepassing van artikel 74 van die wet als ongehuwde aan te merken. Hierbij is van belang dat appellante nooit heeft samengeleefd met haar echtgenoot omdat dit, zoals appellante heeft verklaard, consequenties zou hebben voor haar bijstandsuitkering. De omstandigheid dat deze man kort voor zijn overlijden, met appellante is gehuwd biedt geen grondslag om aannemelijk te achten dat beiden alsnog een gezamenlijke huishouding wilden gaan voeren, nu - behalve de formaliteit van het huwen - geen concrete stappen in die richting zijn gezet. Nu appellante en de echtgenoot geen gezamenlijke financiële huishouding hadden, had het wegvallen van het inkomen van de echtgenoot geen invloed op de, financiële, situatie van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1682 WIA

Datum uitspraak: 21 novermber 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 februari 2013, 12/2205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. Voor appellante is verschenen mr. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 13 september 2011 gehuwd met G.V. [naam]. Op 27 september 2011 is [naam] overleden. Vervolgens heeft appellante een overlijdensuitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Op deze aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 19 maart 2012 afwijzend beslist op de grond dat appellante gescheiden leefde van [naam]. Appellantes bezwaar hiertegen is bij besluit van 16 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De in de regeling bedoelde omstandigheid dat formeel sprake is van een huwelijk, maar dat de relatie feitelijk verbroken is, is niet van toepassing. Appellante stelt dat de rechtbank heeft miskend dat er vanuit moet worden gegaan dat het huwelijk is gericht op de intentie om ook feitelijk samen verder te gaan en dat pas van duurzaam gescheiden leven sprake kan zijn wanneer dit ondubbelzinnig blijkt uit de feiten en/of omstandigheden.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In artikel 74, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat na het overlijden van de persoon, die recht had op een uitkering op grond van deze wet, met ingang van de dag na het overlijden een overlijdensuitkering wordt uitbetaald aan de langstlevende van de echtgenoten.

4.2.

In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA is bepaald dat voor de toepassing van deze wet als ongehuwde mede wordt aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv de echtgenoot van appellante terecht heeft aangemerkt als ongehuwde in de zin van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA op de grond dat hij en appellante duurzaam gescheiden leefden.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2012:BW7183) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (ECLI:NL:CRVB:2008:BC4413), kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie

hebben - al dan niet op termijn - een echtelijke samenleving aan te gaan, maar dat niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.

4.5.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de echtgenoot van appellante op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA voor de toepassing van artikel 74 van die wet als ongehuwde was aan te merken. Hierbij heeft de rechtbank het terecht van belang geacht dat appellante nooit heeft samengeleefd met haar echtgenoot omdat dit, zoals appellante heeft verklaard, consequenties zou hebben voor haar bijstandsuitkering. De omstandigheid dat [naam], kort voor zijn overlijden, met appellante is gehuwd biedt geen grondslag om aannemelijk te achten dat beiden alsnog een gezamenlijke huishouding wilden gaan voeren, nu - behalve de formaliteit van het huwen - geen concrete stappen in die richting zijn gezet. Ten overvloede wijst de Raad er op dat, zoals het Uwv ter zitting uiteen heeft gezet, het doel van de overlijdensuitkering is dat de langstlevende echtgenoot zich in kan stellen op het wegvallen van een inkomen. Nu appellante en [naam] geen gezamenlijke financiële huishouding hadden, had het wegvallen van het inkomen van [naam] geen invloed op de, financiële, situatie van appellante.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) K. de Jong

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

QH