Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
13-3284 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nihilstelling en terugvordering pgb wegens het niet verantwoorden van de toegekende bedragen. Uit de door appellant aan het Zorgkantoor overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt dat het pgb daadwerkelijk is besteed aan zorg. Geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3284 AWBZ

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

25 april 2013, 13/41 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2014, waar partijen, met voorafgaande kennisgeving, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 tot een bedrag van € 20.179,02 (netto). Hierbij heeft het Zorgkantoor aan appellant verplichtingen opgelegd. De toekenning is gebaseerd op de aan appellant verleende indicatie ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de zorgfuncties Persoonlijke Verzorging, Verpleging en Begeleiding.

1.2.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft het Zorgkantoor het besluit tot verlening van het pgb ingetrokken. Ter toelichting op het besluit heeft het Zorgkantoor overwogen dat appellant, ondanks meerdere verzoeken daartoe, het aan hem verzonden verantwoordingsformulier niet heeft teruggestuurd.

1.3.

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 vastgesteld op nihil wegens het niet verantwoorden van de over die periode toegekende bedragen. Daarbij heeft het Zorgkantoor over 2012 een bedrag van € 20.179,02 teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het tegen de besluiten van 25 en 30 oktober 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe heeft het Zorgkantoor overwogen dat de in bezwaar afgelegde verantwoording niet correct is en de bewijsstukken die de verantwoording moeten onderbouwen incompleet zijn. Het vermoeden bestaat dat de betalingen van het Zorgkantoor aan appellant onmiddellijk worden opgenomen/doorgestort ongeacht of er wel of geen zorg is geleverd. Het Zorgkantoor heeft de individuele belangen van appellant afgewogen tegen de belangen van het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor dient op een verantwoorde en doelmatige wijze om te gaan met maatschappelijke middelen. In dat kader is het van belang dat het pgb wordt besteed aan zorg in de zin van de AWBZ en dat het Zorgkantoor de mogelijkheid krijgt om te controleren of de verplichtingen van de budgethouder op de juiste wijze worden uitgevoerd. Nu gebleken is dat de bewijsstukken die de verantwoording moeten onderbouwen incompleet zijn, is het Zorgkantoor van oordeel dat de individuele belangen van appellant dienen te wijken voor de belangen van het Zorgkantoor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant er niet in is geslaagd om een volledig, eenduidig en verifieerbaar beeld te geven over de wijze waarop het aan hem toegekende pgb is besteed. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het Zorgkantoor bij afweging van de daarbij betrokken belangen niet tot zijn besluit heeft kunnen komen. Het niet met medische stukken onderbouwde betoog van appellant dat hem vanwege zijn gezondheidssituatie geen verwijt valt te maken van de hiaten in de verantwoording over de besteding van het pgb, noopt niet tot een ander oordeel.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder b, van de AWBZ kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College voor zorgverzekeringen (nu het Zorginstituut Nederland), overeenkomstig de in die regeling gestelde regels, subsidies verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van het tot gelding brengen van een aanspraak op grond van de AWBZ zelf te voorzien in de zorg die zij behoeven. Deze ministeriële regeling is de Regeling subsidies AWBZ (Stcrt. 2005, 242, hierna de Regeling). In paragraaf 2.6 van de Regeling zijn bepalingen opgenomen over het persoonsgebonden budget.

4.1.2.

Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling, zoals dit artikelonderdeel luidde ten tijde van belang wordt, voor zover hier van belang, bij de verlening van het netto pgb de verzekerde de verplichting opgelegd dat hij een schriftelijke overeenkomst sluit met de zorgverlener waarin ten minste, voor zover hier van belang, de volgende onder 1 en 2 genoemde afspraken zijn opgenomen:

1. declaraties voor verleende zorg worden niet betaald indien zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de verzekerde zijn ingediend;

2. een declaratie van een zorgverlener bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer en de naam van de zorgverlener, en wordt door de zorgverlener ondertekend.

4.1.3.

Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, stelt de verzekerde, op verzoek van het Zorgkantoor, de in onderdeel c bedoelde overeenkomsten en declaraties alsmede zijn rekeningafschrift op papier of op een andere duurzame drager, tot vijf jaar na de datum van subsidievaststelling ter beschikking van het zorgkantoor. De rekeningafschriften bevatten in ieder geval de perioden waarop zij betrekking hebben, de datum en het bedrag van de door de verzekerde verrichte betalingen, bedoeld in onderdeel a, alsmede de rekeningnummers waarop deze betalingen zijn bijgeschreven.

4.1.4.

Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Regeling wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.

4.1.5.

Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.1.6.

Ingevolge artikel 4:95 van de Awb kunnen betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom en kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Regeling, zodat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, dient het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. In dit kader voert appellant aan dat er door zijn onvermogen hiertoe geen adequate administratie is gevoerd, maar dat er in de periode in geding wel AWBZ-zorg aan hem is verleend en hij hiervoor ook daadwerkelijk heeft betaald.

4.4.

Het Zorgkantoor heeft in het bestreden besluit geconstateerd dat de zorgovereenkomst, waarin is afgesproken dat de zorgverlener een variabel aantal uren biedt en is aangekruist dat per maand een vergoeding wordt uitgekeerd, is ondertekend op 30 juni 2012 en eerst ingaat op 21 september 2012. Er is echter geen uurtarief afgesproken en er is geen maandbedrag ingevuld. Voor de periode tot 21 september 2012 ontbreekt derhalve een overeenkomst en voor de periode vanaf 21 september 2012 is de overeenkomst niet volledig. Daarnaast zijn de door appellant overgelegde facturen met daarop een vaste omschrijving voor verleende zorg ‘verzorging en verpleging en gemaakte kosten tbv de hulpverlening inclusief wasserijkosten’, niet gespecificeerd. De bedragen die in rekening worden gebracht zijn bovendien heel verschillend. Er wordt geen uurtarief vermeld en er wordt niet aangegeven hoeveel uren zorg per soort zorg per dag is verleend. Ook is sprake van dubbele periodes en zijn sommige facturen al uitgeschreven voordat er zorg geleverd is. Ten slotte ontbreken periodes of verwijzingen naar facturen op de overgelegde bankafschriften. Er is tevens een bedrag overgemaakt op een andere bankrekening en aan een andere zorgverlener dan in de zorgovereenkomst wordt genoemd. Op basis van pin- of ladeopnames is niet te controleren waarvoor de transacties zijn gedaan en kwitanties in verband met contante betalingen mogen niet meer worden gebruikt.

4.5.

De Raad is met het Zorgkantoor en de rechtbank van oordeel dat uit de door appellant aan het Zorgkantoor overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt dat het pgb daadwerkelijk is besteed aan zorg. De Raad onderschrijft het standpunt van het Zorgkantoor zoals neergelegd in het bestreden besluit. Het Zorgkantoor heeft het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven het belang van appellant. Hierbij is meegewogen dat geen omstandigheden zijn aangevoerd waarvan gezegd moet worden dat deze in dit geval zwaarder moeten wegen dan het belang dat vastgesteld moet kunnen worden dat het pgb - dat immers met gemeenschapsgeld wordt gefinancierd

- daadwerkelijk is gebruikt voor de zorg waarvoor het is bedoeld. Verder zijn door appellant geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.6.

Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) W. de Braal

HD